| A
Naar alf. overzicht.
Naar uw accommodatie!
Aanbidding van het lam, zie Apocalyptisch lam Aankondiging, annunciatie, benaming voor de boodschap, de aankondiging van Christus geboorte, die de engel Gabriël aan Maria bracht. Aanzetplaat, plaat tussen zuil of pijler en de aanzet van een boog; vaak in combinatie met een kapiteel
Aartsabt, hoofd van meerdere abdijen, maar wel zodanig dat
de bevoegdheden van de afzonderlijke kloosters niet wordt
aangetast. Abacus, Lat. plaat, bovenste deel
van het kapiteel in de vorm van een vierkante dekplaat waarop
het gewicht van het tafelment of entablement rust. Abdij, een zelfstandig klooster van een grotere,
oudere orde, voor mannen of voor vrouwen, bestuurd door een abt
of abdis Apsis , Lat. booggewelf, ook abside, exedra en
koorhoofd; een nisvormige, doorgaans schelpvormig overkluisde
ruimte, opgetrokken op een halve cirkel of veelhoek, die een
ruimte in een kerk, koor, transept, zijbeuk, afsluit. Academie, Lat. 'academia'; Gr. 'akademia', instelling:
institutie of vereniging ter bevordering van studie en vorming
in de kunsten of de wetenschappen. De eerste belangrijke
academies ontstaan in navolging van de antieke scholen tijdens
de Renaissance in Italië en daarna in heel Europa. Het woord
gaat wellicht terug op een woud bij Athene met voorzieningen
voor gymnastische oefeningen, dat gewijd was aan de Attische
held Akademos. Plato noemt de door hem opgerichte
filosofenschool, 387 v.Chr., naar zijn lievelingsplaats. Acanthus, Gr. Acantha, distel, grote en distelachtige
Middellandse-Zeeplant waarvan de aan het uiteinde opgerolde
bladeren al in de Oudheid dienden als voorbeeld voor decoratieve
elementen, vooral in Korinthische en laat-Romeinse kapitalen.
Gedurende de Renaissance en de Barok werd het ornament zowel in
bouwkunst als kunstnijverheid weer gebruikt. Achaeërs, naam die Homerus het Griekse volk gaf dat
rond 1600 het gebied van Peloponnesos binnendrong en waaruit
later de Myceense beschaving ontstond. Achaemeniden, dynastie van Perzische koningen die van
de legendarische Achaemenes afstammen. Cyrus 11, 557-529 v.Chr.,
stichtte het Perzische Rijk, dat tot 330 v.Chr., heerser was
over een gebied van de grenzen van India tot Egypte en
Klein-Azië.
Acroterie, Gr. hoogste, buitenste deel;
versiering van gevelhoeken en -toppen met reliëfs. Adyton, geheime
ruimte van een tempel, alleen voor priesters toegankelijk. Aedicula, Lat. klein
huis, tempeltje; een nis of aanbouw voor een beeld in een
Romeinse tempel; in de Middeleeuwen ook de benaming voor een
kleine (graf)kapel. In de bouwkunst wordt onder aedicula de
ombouw van een nis verstaan, bestaande uit steundelen (pilaren,
zuilen, pilasters) en een puntgevel. Sinds de Renaissance worden
grafmonumenten en vooral altaars opgebouwd als aedicula. Aeolisch kapiteel, archaïsch Grieks kapiteel met
twee verticaal uitstekende krullen die door een palmet van
elkaar zijn gescheiden.
Aflaat, Lat. 'indulgentia', toegevendheid: in de
rooms-katholieke kerk de vermindering van straffen voor zonden,
voortgekomen uit de boetepraktijk van de 10e eeuw. De
aanvankelijke functie van de aflaat verliest in de late
Middeleeuwen steeds meer aan betekenis. In het begin van de 16e
eeuw vormt de verkoop van aflaatbrieven een belangrijke bron van
inkomsten voor de Kerk. Deze 'handel' is de inzet van de
aflaatstrijd, vanaf 1517, tussen Martin Luther, 1483-1546,en
aartsbisschop Albrecht van Mainz en geeft de beslissende
aanstoot tot de Reformatie, 1517-1648. Agora, openbaar
plein in de Griekse stad waar de bijeenkomsten van
stemgerechtigde burgers plaatsvonden. Gaf het politieke centrum
van de stad aan. Al fresco, It. op
het natte, zie
fresco.
Al secco, It., op het droge, zie
fresco. Alkoof, Sp. Alcoba: slaapvertrek; Ar. al-quobbah,
vertrek, gewelf; in de Moorse en Arabische bouwkunst is de
alkoof een gewelfde slaapnis, in de Europese een kleine zijkamer
zonder ramen waarin een bed staat.
Alla prima, It. bij de eerste keer/ meteen, direct op
de ondergrond schilderen, zonder grondering en zonder lazuur. Allegorie, Gr. allegorein: anders
uitdrukken, het beeldend aanschouwelijk maken van abstracte
begrippen en samenhangen in beeldende kunst en literatuur, vaak
voorgesteld als menselijke figuur,
personificatie, of als tafereel.
Naast de christelijk-morele allegorie uit de middeleeuwen
ontwikkelt zich in de Renaissance met name in Italië de aan
antieke teksten ontleende mythologische allegorie. In de barokke
schilderkunst neemt de politiek georiënteerde allegorie,
voornamelijk dankzij Rubens, een hoge vlucht. Allerheiligenbeeld, weergave van de
aanbidding van het lam als symbool van Christus door de scharen
der heiligen, die zijn omgeven door patriarchen, profeten en
vertegenwoordigers van alle stammen, naties en talen. Het
beeldtype gaat terug op bepaalde teksten in de Openbaring van
Johannes, het laatste boek van het Nieuwe Testament, en op het
Allerheiligenfeest, dat door paus Gregorius IV, † 844, en keizer
Lodewijk de Vrome, 778-840, in de 9e eeuw definitief werd
ingevoerd op 1 november. Almoraviden: islamitische dynastie in het Moorse
Spanje en Noord-Afrika. In Spanje regeerde zij van 1036 tot
1147, in 1062 werd Marokko veroverd. Al secco, It. op het droge, procédé van muurschilderen
waarbij de verf op de droge kalk wordt opgebracht; dit in
tegenstelling tot het schilderen van fresco's. Altaar, Lat. altaria, alta ara: hoge offertafel, een
aan een god gewijde, verhoogde overplaats, middelpunt van
godsdienstige handelingen. In de Griekse en Romeinse Oudheid
werd het hoofdaltaar voor of naast de tempel opgericht. Het
christelijke altaar, dat sinds de 3e eeuw dienst doet als plaats
van gebed en offerande, staat sinds de Middeleeuwen in de kerk
op een vaste plaats in de apsis Altaarblad, altaarstuk in het
middendeel van een retabel, vaak met architectonische opbouw en
omgeven door stenen en houten figuren. Altaargerei, alle heilige en
liturgische houders en rekwisieten die nodig zijn bij de
godsdienstige handelingen. Altaaropbouw, zie altaarretabel. Altaarpaneel, Lat. 'altare',
offertafel en tafel, bord: zie Altaarstuk Altaarretabel, de achtermuur van een
altaar; deze is met het blad verbonden en is versierd met
sculptuur of schilderingen. Van de 14e tot de 16e eeuw was het
maken van altaarretabels een van de belangrijkste taken in de
Europese kunst. Daar vonden de belangrijkste ontwikkelingen in
schilderkunst en beeldhouwkunst plaats.
Altaarstuk, een schilderij of
beeldhouwwerk dat op een altaar staat of er achter is opgesteld.
Veel altaarstukken waren heel eenvoudig, een paneelschilderij,
maar sommige waren enorme, complexe werken en combineerden
schilderkunst en beeldhouwkunst binnen een bewerkte lijst. Van
de 14e tot de 16e eeuw vormde het altaarstuk een van de
belangrijkste categorieën in de Italiaanse kunst.
Alternerend stelsel, ook
Stützenwechsel genoemd, de in Romaanse basilieken en
vroeggotische kerken vaak toegepaste afwisseling van pijlers en
zuilen, met een tweeledig doel: a. constructief, zuilen alléén
zou te zwak zijn, b. esthetisch, ritmische afwisseling.
Amarna, Tell el-Amarna, Egyptisch AchetAton: hoofdstad
van Egypte tijdens farao Amenhotep, ook Amenophis, IV, bekend
als Achnaton of Echnaton, 1350-1334 v.C.. In 1885 n.C. werd hier
het grote koninklijk archief ontdekt waarin zich een groot
aantal kleitabletten met spijkerschrift bevond. Deze hadden
betrekking op de diplomatieke correspondentie tussen het hof van
de farao en de belangrijkste staten van het MiddenOosten.
Amazonomachie, gevecht waaraan Amazones deelnamen;
barbaarse krijgshaftige vrouwen uit de Oudheid die paardreden en
gewapend waren met boog en degen.
Ambo,
Gr. ambon, verhoging, van ambainein, anabainein,
opstijgen; via één of tweetrappen te bestijgen podium met
lezenaar in vroegchristelijke en vroegmiddeleeuwse basilieken,
bestemd voor het voorlezen van de brieven der apostelen en het
evangelie. De vóór het koorbek geplaatste stenen ambo is
voorzien van een rechte, gebogen of polygonale borstwering. Als
er twee ambo's zijn, dan is de noordelijke, de evangelie-ambo,
meestal rijker gedecoreerd en uitgerust met twee trappen en een
paaskandelaar. De kleinere zuidelijke ambo wordt epistel-ambo
genoemd. In de 14de eeuw werden de ambo's geïntroduceerd in het
oksaal, de verhoogde afsluiting tussen koor en schip, of
vervangen door een preekstoel.
Amfiprostyle, soort tempel waarvan de gevels van de voor-
en achterkant twee rijen zuilen bevatten.
Amfitheater,
Gr. amphitheatron, van amphi, aan beide zijden, om ... heen, en
theatron, schouwplaats; Romeinse vorm van het
openluchttheater met een ovale plattegrond en oplopende rijen
zitplaatsen, voornamelijk voor dierenspektakels en
gladiatorengevechten.
Ammon, Ammonitis: het hedendaagse Amman in Jordanië, het
gebied van de Ammonieten, een Semitisch volk. Amoeriten: Semitisch nomadenvolk dat aan het einde van
het derde en het begin van het tweede millennium v.C. vanuit het
huidige Syrië Mesopotamië binnentrok en daar in 1894 v.C. de
eerste dynastie van Babylon vestigde. Anachoreten: benaming voor de
kluizenaars of heremieten, alleen wonende asceten tijdens het
vroege en het Byzantijnse christendom, die ook wel in gesloten
anachoretengemeenschappen samenwoonden. Anamorfose, naar Gr. 'anamorphosis', omvorming, nieuwe
vorming: een in de 16e eeuw vooral in de schilderkunst en
grafiek toegepaste techniek waarbij een figuur of object niet
evenwijdig aan het beeldoppervlak wordt geprojecteerd, maar in
een bepaalde hoek daarmee. De daaruit resulterende optische
vormvertekening wordt voor de beschouwer pas tenietgedaan door
het weergegeven onderwerp vanuit een schuine hoek te bekijken. Androgynie, Gr. 'androgynos', genitief van 'aner',
man, en 'gyne', vrouw: tweeslachtigheid, lichamelijk-geestelijke
mengvorm van beide geslachten. Ankersteen: een bijzonder gevormde steen om muurdelen
aan elkaar te verankeren. Antropomorf, naar menselijke maatstaf vormgegeven
Anaktoron, gewijd gebouwtje waarin cultusbeelden
staan. Anastasis, Gr. herrijzenis, ook de hellevaart van
Christus, het afdalen van Christus naar het Limbo, voorhel, waar
de zielen zitten die noch in de hemel, noch in de hel zijn.
Christus vernielt de poort naar de hel en haalt de uitverkoren
zielen naar het licht. Deze apocriefe vertelling wordt vooral in
de Byzantijnse schilderkunst afgebeeld.
Anastylose, onderneming waarbij een antiek gebouw met
behulp van het merendeel van de teruggevonden elementen wordt
herbouwd.
Anatomie, Gr. anatemnein: opensnijden, onder
verwijzing naar antieke geneeskundige verhandelingen kreeg het
ontleden van dode wezens in de Renaissance een bijzondere
betekenis. Het doel van de menselijke anatomie was het opdoen
van natuurwetenschappelijke kennis. In de Oudheid bestond alleen
de anatomie van dieren. Anatomische kennis werd de basis voor de
kunstopleiding. Belangrijke impulsen daarvoor kwamen uit de
kunst zelf. Pollaiuolo, Michelangelo en Leonardo onderzochten de
proporties en verdelingen en de bewegingen van het menselijke
lichaam. Anna-te-drieën,
een beeldmotief dat in het kielzog van de laatmiddeleeuwse
Anna-cultus opkomt; het heeft de weergave van de Heilige Anna,
haar dochter, de maagd Maria, en de Christus knaap tot voorwerp.
Ante, in antis, een ante is een vierkante zuil die een
muur afsluit. De Latijnse uitdrukking in antis
-wat zoveel betekent als tussen de anten- wordt gebruikt voor
zuilen die tussen twee antenmuren staan.
Antependium, van Lat. ante, voor en pendere, hangen;
oorspronkelijk een van het altaar omlaag hangende draperie van
kostbare en rijkversierde stoffen, beschilderd linnen, leer en
dergelijke. Later de aanduiding voor elke vorm van bekleding van
het altaar, van textiel, metaal of hout. Anteporticus, ook propylon,
portaal voor de ingang tot het atrium van een vroegchristelijke
basiliek.
Antichrist, volgens de christelijke leer de laatste
grote vijand van Christus die in de laatste dagen voor het einde
van de wereld zal verschijnen. Antiek, Fr. antique, Lat. antiquus,
oud; betrekking hebbend op de Grieks-Romeinse Oudheid. Deze
begint met de komst van Indo-europees sprekende stammen naar
Griekenland in het 2de millennium v.C. en eindigt in het westen
in 476 n.C. met de verdrijving van de Romeinse keizer Romulus
Augustulus door de Goten en in het Oosten in 529 n.C. met de
sluiting van de Academie van Plato door keizer Justinianus,
482-565 n.C.. Antieke tijd, Lat. antiquus: oud, de Grieks-Romeinse
Oudheid, de klassieke tijd, begint met de vroeg-Griekse
immigratie in de 9e eeuw v.Chr. en eindigt in het westen in 476
met de afzetting van de Romeinse keizer Romulus Augustulus en in
het oosten in 529 met de sluiting van de platoonse academie door
keizer Justianus.
Antiek muurwerk, met gebruikmaking van mortel
samengevoegde natuurstenen of bakstenen. In de Romeinse tijd
bestonden er verschillende technieken, opus. De vroegste
techniek is het opus incertum, waarbij de mortel tussen
twee muurschalen van kleine, onregelmatig gevormde stenen van
ongeveer gelijke grootte werd gegoten. Vanaf het einde van de
2de eeuw v.C. kwam het opus reticulatum op, waarbij de in
piramidevorm gehakte stenen met hun vierkante zijden een rooster
vormden. In de Augusteïsche tijd en later onder Trajanus en
Hadrianus was het opus mixtum populair. Hierbij worden
lagen kleine natuurstenen afgewisseld met bakstenen. Sinds
de tijd van Nero werd ook het opus testaceum toegepast,
metselwerk bestaande uit gebakken baksteen. Door de toepassing
van gietwerk (emplecton), waarbij een mengsel van mortel en puin
tussen twee losstaande muren van natuursteen werd gegoten, kon
men koepels en gewelven houwen.
Apadana, troonzaal van de Achaemenidische paleizen,
die over het algemeen talrijke zuilen omvatten, hypostyle
ruimte.
Apelles, ca. 330 v.Chr.: Griekse schilder. Enkele van
zijn slechts literair overgeleverde schildercomposities worden
bij wijze van proef door de renaissanceschilders
gereconstrueerd. Apocalyps,
Gr. apokalyptein, onthullen, openbaren; openbaring, in het
algemeen een openbaring van verborgen dingen over het verloop en
het eind van de geen op historisch, kunstgeschiedenis, al dan
niet rechtstreeks door God kenbaar gemaakt en op profetische en
visionaire manier onder woorden gebracht doorjoodse en
vroegchristelijke, meestal onbekende, auteurs. Apocalyps
van Johannes, naar Gr. 'apokalyptein', onthullen, openbaren:
ook Openbaring van Johannes, het laatste boek van het Nieuwe
Testament. In drie visioenen, natuurrampen, de strijd tussen
kwade en goede machten en de eenheid van een nieuwe hemel en een
nieuwe aarde in het hemelse Jeruzalem, wordt het strafgericht
over de aarde weergegeven. De aankondiging van de terugkeer van
Christus moet de christenen, die onder vervolging lijden,
troosten en tegelijk voorbereiden op de daarmee samenhangende
gruwelen.
Apocalyptisch lam, naar
Gr. 'apokalyptein', onthullen, openbaren: lam met zeven ogen en
zeven hoorns in de Openbaring van Johannes (5,6); in dit
Bijbelboek worden de ondergang van de wereld en de terugkeer van
Christus beschreven. Vanaf de 2e eeuw is het lam in de
christelijke religie het symbool voor de zoon van God. Het
'artistieke' lam krijgt van de kunstenaars zelden meer dan twee
ogen en hoorns. De aanbidding van het lam is een veelvoorkomend
motief van de Apocalyps, dat op verschillende manieren wordt
weergegeven. Het meestal in een mandorla verschijnende lam is
omgeven door de symbolen van de evangelisten en de 24 oudsten of
door een grote mensenmassa, terwijl het lam in laatmiddeleeuwse
taferelen aan de voeten van de tronende God zit. Maar het lam
wordt ook wel geschilderd op de berg Zion, met de scharen der
uitverkorenen; van de berg stromen de vier paradijsrivieren naar
beneden. Apocalyptische ruiter, naar Gr.
'apokalyptein', onthullen, openbaren: een van de vier ruiters in
de Openbaring van Johannes (6: 2-8). De ruiters belichamen het
ongeluk dat over de mensen uitbreekt, zoals pest, oorlog,
hongersnood en dood. Hun attributen zijn boog, zwaard en
weegschaal. In beeldende kunstwerken wordt de eerste ruiter door
een aureool soms geïdentificeerd als Christus. De kleur van zijn
paard is wit, die van de andere paarden rood, zwart en
geelbruin. Apocriefen, Gr. verborgen dingen; in de
Hellenistische tijd geheime, van publicatie uitgesloten boeken
met geheime leer. Joodse of christelijke geschriften naast het
Oude of Nieuwe Testament die niet zijn geaccepteerd als deel van
de Bijbel, maar nog steeds worden gelezen als heilige
geschriften. Apollo, Grieks-Romeinse god, zoon van Jupiter en
Latona, tweelingbroer van Diana. Hij is god van de voorspelling,
de muziek en de kunsten en heer van de muzen, Apollo Musagetes,
het licht en de zon, Phoibos Apollon. Hij belichaamt al
eeuwenlang het schoonheidsideaal van de Oudheid. Apologeten, Gr.-Neolat., een groep Griekse,
christelijke schrijvers uit de tweede eeuw n.C. Ook wel gebruikt
als aanduidingvoor mensen die een bepaalde opvatting met nadruk
verbreiden en verdedigen Apostel, Gr. apostolos, zendeling,
voorvechter; een van de twaalf discipelen van Jezus, door
Hemzelf uit de grote schare van zijn aanhangers gekozen om zijn
werk voort te zetten en het evangelie te verkondigen. Apotheose, Gr. apotheoun,
vergoddelijken, verlichten; vergoddelijking, de opname van
een sterveling in de wereld van het goddelijke.
Apotropaeïsch, onheil afwerend
Appartement, rij achter elkaar liggende kamers in
slotbouw en burgerlijke woningbouw
Appartement double (Fr.), dubbele rij achter elkaar
liggende kamers Apsis, Gr. hapsis, verbinding,
ronding, welving; een op een halfronde of veelhoekige
plattegrond gebouwde en met een halfkoepel overwelfde nis,
waarin een altaar kan staan. Een apsisgewelf in de vorm van een
bolkap wordt aangeduid als apsiskalot. De in het verlengde van
de hoofdruimte van de kerk gebouwde of aan het aan geestelijken
voorbehouden koor grenzende apsis wordt ook wel exedra of
koorhoofd genoemd. Kleinere apsissen zijn vaak te vinden aan de
kooromgang en aan het dwarsschip of de zijbeuken.
Arameeërs, ook Arameeën: naam van een Semitisch volk
dat aan het einde van het tweede millennium v.C. in Syrië en op
de andere oever van de Eufraat in Mesopotamië gevestigd was.
Aquaduct, Lat. aquaeductus, waterleiding, van aqua,
water, en ducere, voeren, leiden; waterleidingssysteem, door de
Romeinen sedert de 4de eeuw v.C. ontwikkeld, speciaal de
bouwkundig constructies ter overspanning van niveauverschillen. Aquarelschilderkunst, It. 'acquarello', waterverf;
naar Lat. 'aqua', water: verf techniek met niet-dekkende
waterverven. De pigmenten (verfpoeders) worden met bindmiddel,
zoals Arabische gom (een sterk klevende afscheiding van de
Afrikaanse acacia's), gemengd en daarna met water aangebracht
(de kleuren blijven ook na het drogen oplosbaar in water).
Wezenlijke kenmerken zijn het afzien van tekening en lijnen en
het gebruik van de schilderondergrond als zelfstandige vorm. Arabesk, Fr. 'arabesque'; naar It. 'arabesco',
Arabisch: een oorspronkelijk antiek, maar in de Italiaanse
Renaissance weer opgenomen ornament dat bestaat uit gestileerd
blad- en rankenwerk, vaak ook met koppen, maskers of figuren. Arboretum, verzameling van uitgelezen bomen en
struiken voor wetenschappelijke doeleinden, meestal in de vorm
van een afzonderlijk tuingedeelte van het park Arcade, boog
boven zuilen of pijlers, ook serie bogen.
Arcade, Lat. arcus, boog, een serie bogen gesteund
door zuilen, penanten of pilaren. In een blinde arcade zijn de
bogen in een muur gebouwd. Arcering, in een tekening, prent of schilderij een
serie dicht bij elkaar gezette parallelle lijnen die een
schaduweffect creëren. In kruisarcering kruisen de lijnen
elkaar. Architectonisch,
Gr. arkhitektonikos, architecturaal, betrekking hebbende op
de bouwkunst. Architraaf, Gr. archi-: boven, hoofd, in
de klassieke bouwkunst en de eraan ontleende stijlen is een
architraaf de horizontale hoofdbalk die de bovenbouw draagt;
wordt meestal ondersteund door zuilen. Arena, zie
circus Arianen, arianisme: arianisme is de aanduiding voor de
christelijke leer van Arius van Alexandrië, ca. 2S0-336, welke
Christus' goddelijkheid ontkende. Christus was de, vóór al het
andere door de wil van God uit het niets geschapen Logos, en dus
een schepsel dat wel degelijk als zoon van God benoemd kon
worden. In 325 werd het Arsaciden: dynastie die in het door Arsaces I rond 250
v.c. gestichte Parthische Rijk, in het gebied van de
Syrisch-Mesopotamische vlakte, regeerde, totdat zij in 226 V.c.
door de Sassaniden omver geworpen werd. Ars liberalis, ars mechanica, Lat. de vrije kunst en
de mechanische kunst. Tot de zeven vrije kunsten, septem
artes liberales, werden in de Oudheid de wetenschappen en
kunden gerekend die een vrij man moest beheersen. In 400 werden
ze door de Romeinse schrijver Marcianus Capella opgeschreven en
onderverdeeld in het trivium, grammatica, aritmetiek en
geometrie, en het quadrivium, astronomie, dialectiek,
retorica en muziek. Tijdens de Renaissance spreidde de
kunst in toenemende mate de humanistische vorming en
wetenschappelijke kennis van de perspectief, proportieleer en
anatomie tentoon. Hierdoor was de beeldende kunst niet langer
een mechanische kunst maar een van de vrije kunsten, waardoor
ook het maatschappelijk aanzien van de kunstenaars steeg. Ars moriendi, Lat., de kunst om vroom te sterven:
sterfboekjes, laatmiddeleeuwse stichtelijke traktaten die de
lezer de strijd van hemel en hel om de ziel van de stervende
voorhouden en het juiste gedrag in het uur des doods aanbevelen.
Assassijnen: West-Europese benaming voor de ismaïlieten,
een aan het einde van de elfde eeuw ontstane, extreem sjiitische
sekte. Macht en invloed, voor de handhaving waarvan voor terreur
en moord (Frans: assassin, sluipmoordenaar, of Ara b. hashashin,
hasjiesjrokers) niet teruggeschrokken werd, duurde tot in de
dertiende eeuw. Assyriërs: Semitisch volk aan de
bovenloop van de Tigris. Op het hoogtepunt van de macht in de
negende eeuw v.C. omvatte het Assyrische Rijk geheel de Levant,
van Babylon tot de Middellandse Zee, inclusief Palestina en
Egypte. In 612 v.C. werd het rijk door de Babyloniërs met hulp
van andere volkeren vernietigd. Astarte: in iedere
Fenicische stad werd Astarte vereerd als godin van de liefde of
als godin van de oorlog. In Sidon aanbad men haar naast de god
Esjmoen, in Tyros naast Melqart. In Byblos werd zij Baalat
Gebal, 'Vrouwe van de Stad (Byblos)', genoemd, analoog aan haar
mannelijke tegenhanger, Baal Gebal ('Heer van de Stad')
Atabeg, Turks, vadervorst: gouverneurs van minderjarige
prinsen van de SeldsjoekTurken. Feitelijk duidt de titel otobeg
op een emir, een militaire of burgerlijke
hoogwaardigheidsbekleder.
Atlanten, de term stamt uit de Renaissance en is
afkomstig van Atlas, de reus die in de Griekse mythologie het
hemelgewelf draagt. In de bouwkunst is het meestal een
overdimensionale, plastische, meestal mannelijke figuur die in
plaats van een zuil of pilaster de balken draagt. Zie
Kariatiden A secco, Ital. secco, droog; seccoschildering,
wandschildering op een droge pleisterlaag. Deze is in
tegenstelling tot de frescoschildering niet zo duurzaam.
Atmosferische perspectief, een manier om in een
landschap diepte weer te geven door minder sterke tinten, soms
met wat blauw, en vagere, minder scherpe vormen te gebruiken.
Atrium,
Lat.: voorhal, voorzaal; belangrijkste en centrale ruimte in
een Romeins woonhuis. In vroegchristelijke kerken verstaat men
onder het atrium de zuilengalerij die er, meestal even breed als
de kerk, aan de westelijke zijde tegen aan is gebouwd.
Attiek, Lat. Attica; Atheens, halfhoge opbouw op de
kroonlijst van een gebouw. Vaak versierd met of voorzien van
inscripties. Was vaak bedoeld om het dak aan het oog te
onttrekken. In de Oudheid vooral gebruikt bij stadspoorten en
triomfbogen, in de Renaissance werd de attiek geïntroduceerd bij
de bouw van kerken en profane gebouwen.
Attribuut, Lat. attributtum, toegevoegd, een voorwerp dat
altijd wordt afgebeeld om een bepaalde persoon te kunnen
identificeren, meestal een heilige. In het geval van martelaren
is het meestal het object of symbool van het instrument van hun
martelaarschap
Augustijnen, middeleeuwse bedelorde naar de regels van
de heilige Aurelius Augustinus, 354-430, opgericht in 1256 en in
de 14e en 15e eeuw uitgebreid door congregaties. Onder invloed
van de humanistische gedachte tijdens de Renaissance sloten veel
leden van de vroege Reformatie, een beweging die Martin Luther
in gang had gezet, zich bij deze orde aan. De orde nam een
belangrijke plaats in in het onderwijssysteem.
Aulos,
blaasinstrument.
Aureool, Lat. Corona, aureola, gouden kroon; een
cirkel van licht rond een heilige persoon, een halo. Autocefalie, Gr.: in de orthodoxe kerk, de
onafhankelijkheid van de nationale kerken met een eigen bestuur
en kerkhoofd. Avelli, Italiaans
avello: graf, groeve. Ayyoebiden: lokale
islamitische dynastie in Egypte en Syrië, die tussen 1169 en
1250 heerste en soennitisch-orthodox was. Azulejo
(Sp./Port.), bontgeglazuurde muur- of vloertegel ** Uw accommodatie vindt u
wereld wijd naar uw wens via:
Booking |