| K
Naar alfab. overzicht. Naar
uw accommodatie! Kalief, Arab. opvolger: opvolger van Mohammed, de geestelijk en soms ook wereldlijk leider van de islam. Kalot, Fr. lotte, kapje; bolvormig gewelf dat de apsis afsluit (kwart bol). Kandelaar, Fr. 'candélavre'; naar Lat. 'candela', kaars: kostbare, vaak rijkversierde kaarsen- of lampenhouder. Kansel, Lat. cancelli. hekwerk, tralies; preekstoel, voor het koor gebouwde verhoging om te preken in een christelijke kerk. Kantelaaf, soffiet, aan de ene kant verwijst een kantelaaf naar een schuin lopende afgrenzing van een muuropening in een binnenruimte, bij bogen, ramen en dergelijke; aan de andere kant verwijst de term naar de onderkant van een gewelf. Kapel, Lat. capella, kleine mantel; kleine, zelfstandige gebedsruimte in een kerk; kleine kerk zonder parochierechten en met een bijzonder dooi, zoals bijvoorbeeld een doop- of grafkapel. Het woord kapel ('manteltje') grijpt terug op een kleine gebedsruimte in de koningsburcht in Parijs, waar vanaf de 7de eeuw de mantel van de Heilige Martinus van Tours (Sint-Maarten, 316-397) word bewaard. Kapellenkrans, rondom een halfrond of polygonaal koor gerangschikte kapellen Kapiteel, Lat.
capitulum, hoofdje; kopstuk van een zuil, pijler of pilaster,
dat als functie heeft de gedragen last op een smaller draagvlak over
te brengen. Er zijn verschillende soorten kapitalen te
onderscheiden, die zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld en
voortdurend zijn veranderd. Het bekendst zijn de sinds de Griekse
Oudheid toegepaste Dorische, Ionische en Korintische Kapittel, college van kanunniken of koorheren, verbonden aan een kathedrale of collegiale kerk, dat invloed kan uitoefenen op bestuurszaken. Het kathedraalkapittel is het adviescollege van de bisschop. Kapittelzaal of kapittel, de ruimte waarin het kapittel van een kathedrale of collegiale kerk bijeenkomt of de plaats van samenkomst in een klooster. Kapittelkerk, de kerk waar een college van kanunniken resideert, dat wil zeggen een instelling met religieuze doeleinden waar echter geen bisschop resideert. Kapittelzaal,
zaal waarin de stemgerechtigde leden van een klooster, een
kloosterprovincie of alle kloosters van een orde bijeenkomsten
houden. Kariatide, Gr. karyatides;
in de bouwkunst een standbeeld van een in een gewaad gehulde vrouw
met een korf- of kussenvormige hoofdtooi dat in plaats van een zuil
of een ander tektonisch element het hoofdgestel draagt. Het woord
verwijst naar de meisjes, in het bijzonder de tempeldanseressen, uit
de Lakonische plaats Karyai bij Sparta. Vanwege de verraderlijke
houding van de bevolking tijdens de Perzische Oorlogen (500-479v.C.)
werden de meisjes van het dorp tot slavinnen gemaakt.
Karmelietenorde, Lat. 'Ordo
Fratrum Beatae Mariae Virgilis de Monte Carmela', orde van de
broeders van onze lieve vrouw van de berg KarmeI: een sinds 1246
bestaande bedelorde waarvan de leden zich wijden aan de religieuze
beschouwing en zich inzetten voor de zielszorg en de wetenschap. De
orde is voortgekomen uit een kluizenaarsgemeenschap op de berg KarmeI bij Haifa in Israël.
Karmaten: ismaïlitisch
geheim genootschap. Zij treden voor het eerst tegen het einde van de
negende eeuw op in Babylon, en verspreiden zich vandaar over Syrië, Khorasan en Arabië. Vooral in de Levant en Arabië oefenen ze daarna
terreur uit. Karolingische
cultuur, benaming voor de bloeiperiode van letteren, kunst en
wetenschap in de 8ste en 9de eeuw, sterk bevorderd door Karel de
Grote. Kariatide, in de bouwkunst de vrouwelijke figuren,
kariatiden, die de functie van een zuil vervullen en het kapiteel
als een mand op het hoofd dragen. Zij zijn te vergelijken met de
atlanten: mannelijke figuren met een zelfde functie. Volgens Vitruvius is de naam afgeleid van de meisjes van Karyai, die
tot slavernij gebracht werden omdat zij met de Perzen zouden hebben
samengewerkt. Kartuizerorde, Lat. Ordo
Cartusiensis; katholieke heremietenorde die in 1084 door Bruno
van Keulen (1032-1101) in de Grande Chartreuse bij Grenoble is
gesticht. De orde verbindt het kluizenaarsbestaan met het
gemeenschapsleven. In de 14de en 15de eeuw ontstonden nieuwe
kartuizerkloosters (waarin elke monnik zijn eigen kluis met tuintje
had), die zich richtten op de laatmiddeleeuwse mystiek, de devotio moderna (nieuwe vroomheid), en het humanisme, het
streven naar echte menselijkheid.
Karton, It.
cartone, kartonnen kaart, een voortekening op ware grootte voor een
schilderij, wandtapijt of fresco. Bij het frescoschilderen werd het
ontwerp op de muur overgebracht door kleine gaatjes langs de
contouren te maken en deze te bestuiven met houtskool en zo een lijn
op het te beschilderen oppervlak achter te laten. Kasteel, oorspronkelijk Romeinse
legerplaats, later verdedigingswerk Katafalk, Lat. catafalcium:
sierstelling, onderbouw voor een zerk tijdens een rouwdienst.
Kathedraal, bisschopskerk, in
Duitsland vaak ook dom of munster genoemd Katholieke Reformatie, deze term
refereert aan de noodzakelijk geachte vernieuwing van de Kerk, iets
waar men het in de late Middeleeuwen al in brede klerikale kringen
over eens is. Incidentele hervormingsprogramma's, zoals
uitgevaardigd door de concilies in Konstanz, 14141418, en Basel,
1431-1437 en 1448, of het vijfde Lateranenconcilie, 1512-1517,
leiden niet tot duurzame resultaten. Pas de protestantse Reformatie
dwingt de paus en de roomse curie om doelgericht op te treden tegen
kerkelijke misstanden zoals ambtsmisbruik, zedelijk verval,
aflaatpraktijken en extreme heiligen- en relikwieënverering. Paus
Paulus III vaardigt de bul 'Laetare Jerusalem', 1544, uit,
verantwoordelijk voor de samenroeping van het Concilie van Trente,
1545-1563, dat aanzetten geeft tot de innerlijke vernieuwing van de
Kerk. Terwijl het begrip 'katholieke Reformatie' in de eerste plaats
een kerkelijk vernieuwingsproces tot doel heeft, dat tot in de 17e
eeuw doorwerkt, staat het begrip 'Contrareformatie' voor de
maatregelen die met geweld worden doorgevoerd tegen de 'katholieke
Reformatie'. De Augsburgse godsdienstvrede, 1555, verplicht de
katholieke vorsten tot het doorvoeren van het katholieke geloof en
rechtvaardigt hen zo om Contra Kazuifel, at.
casula, cape, klein huisje, een lang gewaad dat door katholieke
priesters wordt gedragen tijdens de mis. Kerkvaders, Lat. patres
ecclesias; benaming van een aantal theologische schrijvers en
heiligen uit de christelijke Oudheid (vóór 800 n.C.) die in de
rooms-katholieke Kerk gezag hebben als tweede geloofsbron na de
Bijbel. Aan vier van hen werd in de 13de eeuw op grond van hun grote
geleerdheid de titel 'kerkleraar' gegeven: Ambrosius (rond 340-397),
Augustinus (rond 354-430), Hiëronymus (rond 340-420.) en Gregorius
de Grote (rond 540--604). Vanaf de 8ste eeuw werden zij in
religieuze afbeeldingen af en toe ingedeeld bij de groep van de vier
evangelisten en hun symbolen: Mattheus (mens of engel), Marcus
(leeuw), Lucas (stier) en Johannes (adelaar). . Ketterij:
een bewuste afwijking van de leer van de kerk. Het woord is afgeleid
van het begrip katharen; een ander woord is haeresis. Klassieke kunst,
Lat. classicus, voorbeeldig, onberispelijk; aanduiding voor de
periode in de Griekse kunst van 480 tot 323 v.C. Deze jaartallen
vallen samen met belangrijke historische gebeurtenissen die
ingrijpende gevolgen hadden voor de hele structuur van de Griekse
wereld: met de overwinning op de machtige Perzen in 480 v.C. begon
de bloeitijd van de Griekse stadstaten (Poleis), Athene voorop,
terwijl de dood van Alexander de Grote in 323v.C. het einde van het
tijdperk van de vrije 'polis' betekende. In artistiek opzicht wordt
de klassieke periode vooral gekenmerkt door veranderingen in de
beeldhouwkunst. Er ontwikkelde zich een nieuw gevoel voor de
organische structuur van het menselijk lichaam. Met het onderscheid
tussen het zogenaamde 'standbeeld' en 'speelbeen' ('ponderation')
werd een principe geschapen dat de hele klassieke periode zijn
geldigheid behield. Uit de 'ponderation' ontwikkelde zich het
principe van het 'contrapost': de evenwichtige verdeling van
krachten, zoals die door de uit Argos afkomstige beeldhouwer Polykleitos maatgevend is uitgewerkt in het idee van het chiasma, de
kruislingse verdeling van belaste en onbelaste delen van een beeld. Kleurperspectief, Middel-Lat. 'perspectiva',
'ars': doorheenkijkende (kunst)), optische diepte van een
schilderij' die ontstaat met behulp van de kleuren (die minder
intens zijn naarmate ze zich dichter bij de horizon bevinden). De
kleurenperspectief creëert ruimtelijke effecten door gebruik te
maken van bepaalde kleurencombinaties (rood, oranje en geel zijn
bijvoorbeeld op de voorgrond tredende tinten, terwijl blauwen groen
ruimtelijke diepte suggereren). Klokkentoren, zie campanile.
Kloostergang,
Lat. claustrum, of kruisgang, een gesloten plaats, een overdekte
gang met een open colonnade aan één kant, die meestal langs de vier
muren van het vierkante plein van een klooster of kathedraal loopt.
Kniestuk,
portret waarop de geportretteerde wordt weergegeven van hoofd tot
knie Koekoek,
dakvenster Koepel,
Lat. cupula, omgekeerd tonnetje, beker; plafond- of dakvorm,
overwelving van een ronde, vier- of veelhoekige ruimte in
regelmatige krommingen. De overgang van een vierkante plattegrond
naar de ronding van de koepel kan op verschillende manieren tot
stand komen: 1 bij de hangkoepel vormt de basis van de koepel een
denkbeeldige cirkel, die in het grondvierkant is getekend; 2 bij de pendentief koepel wordt de denkbeeldige hangkoepel boven de bogen
horizontaal afgesneden en het zo ontstane ronde vlak door een halve
bol overwelfd; de daarbij ontstane sferische driehoeken noemt men pendentieven; 3 bij de Boheemse kap is, nat als bij de hangkoepel,
het te overwelven vlak kleiner dan het grondvierkant. Kolossale
ordening, ordening van zuilen of pilaren die meerdere
verdiepingen verenigt, ook monumentale ordening. Koor, Lat. chorus en Gr.
choros: reidans; Lat. chorus: rondedans; ook Sanctuarium,
Presbyterium of priesterkoor genoemd, in een kerk de van het schip
afgescheiden ruimte waar zich het altaar bevindt. Het koor is
ontstaan uit de oude apsis, waar zich de zetels van bisschop en
priesters bevinden. Toen priesters en monniken zich aan weerszijden
van het altaar gingen opstellen voor het zingen van de getijden,
ging het koor grotere afmetingen aannemen en ontstonden de
koorbanken of het koorgestoelte. Koorgestoelte,
de banken voor geestelijken aan weerszijden van het koor. Koorhek,
Lat. charus en Gr. choras, reidans, dans- en zanggroep;
borstweringen van paneelwerk die het louter aan geestelijken
voorbehouden koor afsluiten van het schip of het dwarsschip, vaak
rijk versierd. Kooromgang,
ook deambolatorium, de gang die rond het koor of altaar leidt en met
open bogen gescheiden is van het koor.
Kopergravure,
een diepdrukmethode met een koperen plaat waarin met een scherp
voorwerp, zoals een burijn, een ontwerp is gesneden; een gravure die
op deze manier wordt gemaakt. Het proces werd rond 1440 in Zuidwest-Duitsland ontwikkeld en is de op een na oudste grafische
kunstvorm na het houtbewerken. In de Duitse kunst kwam deze vooral
tot ontwikkeling door Schongauer en Dürer en in Italië door Pollaiuolo en Mantegna.
Korè, Grieks
archaïsch beeld van een prachtig gekleed jong meisje, als offergave
aan de goden bedoeld. Korinthisch, bouworde die
met name gekenmerkt wordt door een kapiteellichaam met
acanthusversiering en hoekkrullen die op de krullen van de Ionische
orde lijken. Kouros, een archaïsch Grieks
beeld dat een staande naakte jongeman verbeeldt en enorme afmetingen
kan hebben. Deze beelden werden in de tempels gezet om te dienen als
offers aan de goden. Kraal: versiering in de architectuur bestaande uit een kwart, een half of een driekwart rond profiel. Het wordt vooral toegepast bij (kroon)lijsten, portalen en vensters. genoemd. Kranslijst, koonlijst, hoofdlijst van de façade, onder de dakaanzet Kroonlijst, vooruitspringende lijst ter afsluiting van een in Kruisbeuk, zie Transept. Kruisafneming, een weergave van het lichaam van Christus dat van het kruis wordt gehaald. Kruisbloem, gebeeldhouwd gotisch ornament in de vorm van een kruis. Kruisen: Latijns kruis, Lat. crux immissa: de bekendste vorm, een kruis met een lange staande en een korte dwarsbalk. Crux bastata, speerkruis: een Latijns kruis dat tegen iemand leunt. Andreaskruis, crux decussate of maalkruis: een X-vormig kruis waarvan de armen even lang zijn. Kruisgang, de in een vierkant rond de kloosterhof lopende, aan de binnenzijde open overwelfde bogengaanderij met balustrade, meestal aan de zuidkant vaneen klooster, waaromheen volgens vaste regels de hoofdvertrekken van het klooster liggen. Vormt het middelpunt van het klooster. Kruisribgewelf, gewelf waarvan de kappen geslagen zijn over of tussen elkaar kruisende en in een sluitsteen samenkomende ribben. Alleen de ribben hebben een dragende functie. Kruisgraatgewelf, Lat. crucem, crux, kruis; het rechthoekige snijvlak van twee tongewelven (halfrond of segmentvormig plafond) van gelijke grootte. Als de snijvlakken door ribben zijn verstrekt, spreekt men van een kruisribgewelf. Kruistochten, in ruime zin alle militair georganiseerde ondernemingen tegen de vijanden van het rooms-katholieke geloof, zoals bijv. tegen de Albigenzen. In engere zin de verschillende tochten die westerse krijgers van de 11de tot de 13de eeuw ondernamen tegen de islam voor het behoud of de herovering van de heilige plaatsen in Palestina. Krul, spiraalvormig motief aan de hoeken van de kapitalen in Ionische stijl. Afgeleid van opgerolde uiteinden van planten (acanthus, varen).
Kufisch schrift:
gestileerd, hoekig Arabisch schrift. **
Uw accommodatie vindt u wereld
wijd naar uw wens via:
Booking |