| B
Naar alfab. overzicht.
Naar uw
accommodatie! Baalat Gebal (Hebr.-Fenicisch, Vrouwe van de Stad (Byblos):
fonetische transcriptie van de Egyptische titel Nbt Kbn. een
verwijzing uit het eerste millennium v.C naar de Fenicische god in
Astarte van Byblos. De Grieken stelden haar gelijk aan Aphrodite. Babylon, dat echter al
gauw na zijn dood in 1750 v.c. uiteen viel. Na een periode van
verval en buitenlandse heerschappij stichtte Nabopolassar rond 612 v.c. het Nieuw-Babylonische Rijk. Babylon bloeide weer op en werd de
mooiste stad van de Oudheid. In 529 v.c. werd het Nieuw-Babylonische
Rijk door de Perzen vernietigd. Babylon bleef echter tot de
heerschappij van Alexander de Grote een belangrijke rol spelen.
Bacchanaal, naar Lat. 'Bacchus',
Romeinse god van de wijn: feest ter ere van deze god. Bacino di San Marco, It., het
(haven)bekken van San Marco: bocht voor het stadscentrum waaraan
het plein met het dogen paleis ligt en waarin het Canal Grande
uitmondt. Baldakijn, Ital.
Baldacchino; stoffen overhuiving boven een troon of bed; de op
stokken rustende draaghemel bij Processies; in de bouwkunst een
sierverhemelte van hout of steen boven een troon, bisschopszetel,
altaar, katafalk, kansel of standbeeld. De naam gaat terug op de
kostbare met gouddraad bestikte zijden stof uit Bagdad (Ital.
Baldacco) waarvan het eerste sierverhemelte in Italië word gemaakt.
Balkon,
Ital. Balcone; in de gevel van een gebouw op een bovenverdieping
uitspringend, niet overdekt platform, dat door een borstwering of
balustrade wordt afgesloten. Ook binnen in een gebouw kunnen balkons
zijn aangebracht, zoals in een theater. Behalve dat men er op kan
staan, wordt het balkon ook gebruikt voor de geleding van de gevel.
Baluster, gedrongen stijl van
een balustrade met een geprofileerde schacht Bamboccianti , It., naar 'bamboccio',
dik kind, domoor, lummel: aanduiding voor een groep Nederlandse
schilders in Italië die daar in de 17e eeuw bekend worden met
schilderijen van boerse, realistische volkstaferelen. Ze zijn
genoemd naar de spotnaam voor de oprichter, Pieter van Laer, voor
1599-1642. Banderol, It.
banderuola, kleine vlag, een lange vlag of rol (meestal gespleten)
met een opschrift. In de renaissancekunst meestal gedragen door
engelen. Banketje, Ned., tussenrnaaltijd,
ook ontbijt: Nederlandse aanduiding voor de schildering van het
ontbijt, een in de 17e eeuw in Nederland ontwikkeld stilleven.
Meestal schildert de kunstenaar een gedekte ontbijttafel met een
kleine keuze aan spijzen en vaatwerk. Baptisterium, Gr. baptisterion: bassin, eigenlijk een diep
bassin in oude badhuizen; ook doopkerk. Van de 4e tot de 14e eeuw en
ook nog wel in de 15e werden baptisteriums in Italië als
zelfstandige kerkgebouwen rond een doopvont gebouwd, naast een grote
kerk. Ze dienden voor de doop en zijn meestal aan Johannes de Doper
gewijd. Meestal zijn het centralebouwwerken op een vierkante,
veelhoekige of ronde plattegrond. In de Middeleeuwen werd het
gebruik van de complete onderdompeling bij de doop afgeschaft.
Voortaan kon men volstaan met een kleiner doopbekken in de
hoofdkerk. Barbaren, voor de oude
Grieken: vreemde volkeren. Oorspronkelijk had het woord geen
ongunstige betekenis.
Barok,
Port. barucca, onregelmatig gevormde parel; stijlperiode in de
Europese kunst tussen Maniërisme en Rococo (omstreeks 1590 -
omstreeks 1725), die zich in verschillende stromingen manifesteert.
Zo omvat de barokke schilderkunst behalve het classicisme van de Caracci's ook het realistische werk van Caravaggio. Het begrip
“barok” betekende oorspronkelijk “niet met de goede smaak
overeenstemmend” en werd in het 18de- eeuwse Frankrijk gebruikt voor
kunst die tegen de heersende classicistische smaak inging. Basement, Gr. basis, schrede,
gang, grondslag, later, de betreden bodem, van bainein, gaan; in de
bouwkunst het uitspringende, meestal geprofileerde voetstuk van een
zuil of een pijler, dat de druk van de zuilschacht over een groter
oppervlak verdeelt en de overgang naar de plint (voetplaat)
voorbereidt. In de beeldhouwkunst is het basement het blok waarop
een beeld of een reliëf rust. Basileos (Gr., Lat.basileus): Byzantijnse keizer. Basileum (Gr.): attribuut
dat de drager als heerser kenmerkt, zoals bijvoorbeeld de kroon van
Isis. Basis,
geprofileerde voet van een zuil of een pijler die de overgang vorrnt
van de schacht naar de voetplaat (plint)
Bastide, naam
voor een stelselmatig aangelegde versterkte stad, zoals die in de
tweede helft van de 13de eeuw in Zuid-Frankrijk werd
gebouwd. Bedelorden,
ook mendicanten genoemd, Lat.mendicare: bbedelen, orden die zich in
leven houden door werk en bedelarij en zich aan absolute ascese
hebben overgegeven. Ze ontstonden in de 13e eeuw als reactie op de
verwereldlijking van de kerken, Franciscus van Assisi. De bedelorden
combineerden het kloosterleven met geestelijke en psychische
activiteiten die ze in het wereldse leven uitvoerden, zoals
zielzorg, bestrijding van de ketterij, onderwijs aan de
universiteiten en missiewerk. Beeldenstorm, de tijdens de
Reformatie, 15171648, gevoerde strijd tegen de religieuze
schilderijen in kerken en de verering die ze ten deel viel.
Tegenover Karlstadt, ca. 1480-1540, Ulrich Zwingli, 1481-1531, en
Johannes Calvijn, 15091564, die de beeldenverering radicaal
verwerpen, probeert Martin Luther, 1483-1546, een gematigde positie
in te nemen. Beeldnis, uitsparing in een
muur waarin een beeld of beeldengroep kan worden geplaatst, al dan
niet voorzien van een architectonische of gebeeldhouwde omlijsting.
De nis kan verschillende vormen hebben en wordt zowel binnen als
buiten aangetroffen. Bekleding, ook aankleding,
het om esthetische redenen bedekken van het oppervlak van een
bouwwerk met niet-dragende materialen; de bedoeling hiervan was het
verhogen van de bestendigheid of het verbeteren van akoestische of
thermische omstandigheden. Bekroning,
bovenste sierafsluiting van een bouwwerk. Belfroot,
ook: belfort, stadhuistoren met klokkenstoel of uurwerk. Hoofdtoren
van een burcht, toevluchts- of verdedigingsbouwwerk Belt walk,
een rondom het park lopende weg waarvandaan men het park continu van
buitenaf kan bekijken Bema (Gr.): een door middel van een of meer traptreden verhoogde altaarruimte voor de apsis in de vroegchristelijke en Byzantijnse kerken. Benedictijnen, de oudste kloosterorde van de westerse
Kerk. De benedictijnen, die leven volgens de Regel van Benedictus
van Nursia, vormen geen orde in de zin van een aaneengesloten
organisatie met centraal bestuur. Pas in 1893 verenigde paus Leo XIII alle congregaties van benedictijnen tot één confederatie onder
de leiding van een abt-primaat, die te Rome resideert. Daar bezit de
orde ook een universiteit, collegio S. Anselmo. Beschildering, het met verf of goud bekleden van een houten beeld. Het hout werd eerst bewerkt met gips of krijt om een zo glad mogelijk oppervlak te krijgen. Tot de 18e eeuw werd tempera gebruikt, daarna ook olieverf. Beslagwerk, ornamentvorm Betekenisperspectief, middeleeuws 'perspectiva' ('ars': doorheenkijkende (kunst), een schilderstijl die tijdens de Middeleeuwen wijdverbreid is en waarin de personen en voorwerpen niet worden weergegeven naar hun reële verschijning, maar overeenkomstig hun ideële rang en betekenis. Zo worden bijvoorbeeld heiligen, goden of helden groter weergegeven dan de overige personen, zoals de opdrachtgevers van een schilderij. Betyl: een heilige steen die als zetel van een godheid vereerd werd en/of met de godheid werd geïdentificeerd. Beuk, zie Schip. Biforium, Lat., een dubbel raam dat in de Middeleeuwen werd ontwikkeld; boven het raam zat een koepel en het raam zelf werd in tweeën gedeeld door een zuil. Binnenwelving, wangen van een muuropening. Bisschop, Gr. opiskopos, toezichthouder, geestelijke hoogwaardigheidsbekleder. Bij de vroegste christenen was hij de leider van een gemeenschap, later als opvolger van de apostelen het hoofd van een bisdom, een diocees of een parochie. Hij bezit de volmacht van leraars-, priester- en herdersambt. De tekenen van zijn waardigheid zijn de mijter (bisschoppelijk hoofddeksel), de bisschopsstaf en de bisschopsring. Bisschopsstaf, een staf met een omgebogen uiteinde of kruis die wordt gedragen door een bisschop of aartsbisschop als symbool van dienst. Blinde façade,
om redenen van vormgeving voor een bouwlichaam geplaatste façade die
los staat van de structurele opbouw daarvan Blindnis, architectonisch element dat als versiering of als onderverdeling in of tegen een muurdeel wordt gevoegd. Boekschilderkunst, ook miniatuurschilderij, Lat. 'miniatura'; naar 'miniatus', met menie geverfd: de kunst om handschriften en boeken te voorzien van beeldende voorstellingen of ornamenten. De schilderingen zijn óf bestanddeel van de tekst óf beslaan een afzonderlijke bladzijde. De boekschilderkunst beleeft haar hoogtepunt in de Byzantijnse en middeleeuwse kunst van Europa. Boeyhiden of Boejiden: sjiitische dynastie die van 932 tot 1055 in Iran en Irak heerste. De
Boeriden: dynastie van de Seldsjoeken in Damascus, die van 1102 tot 1154 aan de macht was. Hun ondergang wordt in verband gebracht met de nauwe relaties, die zij met de christelijke Franken onderhielden. Bohème, Fr. 'bohème', kunstenaarswereld; naar 'Bohème', Bohemer, zigeuner: nietburgerlijke wereld, het losse, vrije leven van studenten en kunstenaars. Boiserie, houten betimmering Boog,
gewelfde constructie ter overspanning van een open ruimte of
muuropening, die het bovenliggende gewicht ondervangt en verdeelt
over pijlers of zuilen. Het hoogste punt van de boog is de kruin.
Daarin wordt als laatste steen de sluitsteen gezet. Deze is vaak
wigvormig en wordt door kleur- of vormdecoratie benadrukt. De
porring (ook wel rijzing of kromming) van een boog is de loodrechte
afstand tussen de kruin en de lijn die de aanzetten van de boog
verbindt. In de vorm van imposten vormen deze aanzetten een apart
element tussen de boog en de zuil, pijler of muur. De binnenkant van
een hoog noemt men het binnenwelfvlak. De afstand tussen de
steunpunten wordt de spanwijdte of spanning van de boog genoemd. Borstwering, oorspronkelijk een dichte, lage muur tot borsthoogte met een verdedigingsfunctie, maar later een constructie die voor vallen moest behoeden en dan meer open, als een leuning of balustrade, of zelfs ter versiering, bijvoorbeeld langs een dakrand. Bossage, Du. bozen: slaan, in de beeldhouwkunst is het de ruwe vorm van een beeld in steen of hout. In de architectuur wordt hiermee een steen met een ruw gehakte, oneffen voorkant bedoeld, zie rustica. Bosschage, 'lustbosie', heg- of struikengroep in het open gedeelte van de tuin. Bouleuterion,
zaal voor bijeenkomsten waar de raad, boulè, bijeenkwam. Een
ruimte voor politieke vergaderingen. Bovenkerk, het verhoogd liggende deel van een zogenaamde dubbele kerk. Bozzetto It., een kleinschalig voorbereidend model van een sculptuur of schilderij. Breuksteenmetselwerk, uit onregelmatige, onbewerkte stenen opgebouwde muur. Breve, Lar. 'brevis', kort), kort
pauselijk decreet. Broederschap, een katholieke orde voor gemeenschappelijk gebed die in de vroege Middeleeuwen is ontstaan; aanvankelijk bestaat de orde alleen uit monniken en geestelijken, later ook uit leken. De leden spannen zich in om naastenliefde en vroomheid te bevorderen. Bronkapel,
bronhuis of waterhuis, bestemd voor de lichamelijke hygiëne van de
monniken, aan de kruisgang, tegenover het refectorium. Bucintoro, de praalgalei van de Venetiaanse dogen, die door 200 roeiers wordt voortbewogen. Hierin
vaart de doge naar het hemelvaartsfeest op de open zee, waar hij de
ring van het symbolische huwelijk tussen Venetië en de zee in het
water gooit. Bul, Lat. bulla, zegel;
oorspronkelijk een bepaald soort metalen zegel, later een pauselijke
oorkonde. Tot in de tweede helft van de 19de eeuw waren deze
oorkonden van een loden zegen voorzien. Buste, It. busto:- borstbeeld, plastische weergave van een mens tot aan de borst of schouders. Type werd ontwikkeld in de Hellenistische tijd en kwam vooral gedurende de Italiaanse Renaissance in de 15e eeuw weer tot ontwikkeling. Byzantijnse kunst, de kunst, de uit de late Oudheid voortgekomen en van het orthodoxe christendom doortrokken kunst die van ongeveer 330 n.C. tot de val van Constantinopel in 1453 werd gemaakt binnen de invloedssfeer van het Byzantijnse Rijk, met Constantinopel, voordien Byzantium, nu Istanbul, als centrum. De kenmerkende plechtige starheid en bovenzinnelijke verhevenheid van de afgebeelde figuren zijn het gevolg van het feit dat de kunstenaars zich strikt aan vaste artistieke en religieuze regels en voorbeelden hielden. Toch valt er geleidelijk, vooral in de late Byzantijnse tijd, een vrijere opvatting van de natuur waar te nemen. In de Middeleeuwen is de Byzantijnse kunst van grote invloed geweest op het werk van tal van West-Europese kunstenaars.
** Uw accommodatie vindt u
wereld wijd naar uw wens via:
Booking |
Basilica,
Gr. basilike stoa: koningshal, in Athene het ambstgebouw van de
archont Basileus, in het oude Rome was het een langgerekt gebouw
waar markten en rechtszaken werden gehouden.