T       Naar alfab. overzicht. Naar uw accommodatie!

    
Tabernakel
, Lat. tabernaculum, tentje, hutje;  in de architectuur een van zuilen en een puntig dak gebouwd sierhuisje, vaak voor beelden, bijvoorbeeld op gotische schoorpijlers; schrijn voor het bewaren van gewijde hosties; door pijlers gedragen bovenbouw van een altaar (ciborie).

Tafelment, in de klassieke architectuur: een geheel van horizontale bouwelementen die op dragers (zuilen, pijlers) rusten. Ze zijn van onder tot boven samengesteld door de architraaf, de fries en de kroonlijst.

Talent: betalingseenheid in het oude Griekenland Ook gewicht, ca. 25 kilo, goud of zilver.

Tamboer, Oudfr.; Arab. tanbur, trommel; ook koepeltamboer, cilindervormig of veelhoekig stuk tussen onderbouw en koepel, dat voorzien kan zijn van vensters.

Techne, kunst en techniek, constructiewetenschap.

Teil: vestingheuvel; kunstmatige verhoging die ontstaan is door het telkenmale bovenop elkaar bouwen van nederzettingen.

Tektoniek, Gr. tekton, timmerman, bouwer, leer van de architectonische vormen die betrekking heeft op constructie en techniek.

Telesterion, gebouw met zuilen voor de initiatie in het heiligdom van Eleusis.

Temenos, Gr.: het door een muur of zuilengaanderij afgescheiden terrein van een tempel in het oude Griekenland.

Tempel Lat. templum, afgesloten observatieruimte voor do augures voor het waarnemen van do vogelvlucht, dan heiligdom, tempel; niet-christelijk sacraal gebouw, hoofdvorm van de sacrale bouw in de Griekse en Romeinse Oudheid. Kern van alle tempels is het vensterloze interieur, Gr. naos, woning; Lat. cella, kamer; dat anders dan in christelijke kerken niet als verzamelplaats, maar uitsluitend als bewaarplaats van het cultusbeeld word gebruikt. De offers werden op het altaar voor of naast de tempel gebracht. Al vroeg ontwikkelden zich in de Griekse architectuur verschillende typen, die naar het gebouw dat rond de celle was opgetrokken Ė voorhal, pronaos, ruimte aan de achterkant, opisthodom, omringende zuilenrijen - worden genoemd. De Romeinse tempel in zijn oudste vorm is gebaseerd op de Etruskische podiumtempel en is door de trap aan de voorzijde en de diepe voorbal sterk op de voorkant gericht.

Tempera, Lat. temperare, mengen in de juiste verhouding. Temperaschilderkunst is een schildermethode waarbij de pigmenten worden gemengd met een emulsie van water en eierdooier of hele eieren, soms lijm of melk. Tempera werd veel gebruikt in de Italiaanse kunst van de 14e en 15e eeuw, voor zowel paneelschilderijen als fresco en werd vervolgens verdrongen door olieverf. Temperakleuren zijn helder en doorschijnend, hoewel er weinig tijd is om ze te mengen omdat de verf heel snel droogt. Vloeiende overgangen tussen kleuren worden gecreŽerd door lichtere en donkerdere punten of lijnen aan een droog geverfd vlak toe te voegen.

Tempietto (it.), 'tempeltje', vaak een kleine ronde tempel in plantsoenen.

Tepidarium, zie Thermen.

Terebint: pistache; een boom uit het Middellandse-Zeegebied waaruit terpentine en looistof gewonnen worden.

Terracotta, It. gebakken aarde; gebakken, ongeglazuurde klei. Afhankelijk van de kleisoort wordt het gebakken resultaat wit, bruin, geel, licht- of diep- rood. Klei is geschikt voor het maken van vazen en kleine plastiek, en door zijn weersbestendigheid ook geschikt als bouwplastiek. Klei is een van de oudste esthetische grondstoffen van de mensheid.

Terraferma, Lat. vaste grond, de bezittingen van de Venetiaanse republiek op het vasteland.

Terra sigillata (lat. gezegelde aarde): naar het ingeperste zegel van de maker genoemde aardewerk uit de Oudheid van rode klei, dat over het algemeen kunstig versierd is en van een zegelafdruk voorzien.

Tetrakonchos, Gr.: een gebouw, gewoonlijk een kerk, met een grondplan van vier halfronde, van halfronde koepels voorziene apsiden (apsis).

Tetrapolis, Gr.: vierstedenverband. Met name gebruikt voor de door de Seleuciden gestichte steden in Noord-SyriŽ: AntiochiŽ, Seleukia,Apamea en Laodikia.

Tetrarchie, Gr.: aanduiding voor de nieuwe, door Romeinse keizer Diocletianus aan het einde van de derde eeuw n.C. ingevoerde regeringsvorm, waarbij het Romeinse Rijk werd verdeeld onder twee keizers (de augusti) en twee aan hen ondergeschikte heersers (de caesares).

Tetrastyle, gebouw met een gevel met vier zuilen.

Thalassocratie, Gr.: aanduiding voor de cultuur van de Myceense heerschappij in het oostelijk deel van het Middellandse-Zeegebied tegen het einde van de Late Bronstijd, van de zestiende tot de veertiende eeuw v.C..

Theofore namen: persoons- of plaatsnamen waarvan een godennaam deel uitmaakt. Het ontstaan en gebruik van dergelijke namen kan uitsluitsel geven over de godsdienst tijdens een bepaalde periode.

Thermen,  Gr. thermos, warmte, warme bron; openbaar badhuis in de Romeinse Oudheid. Belangrijkste bestanddelen van de thermen waren het caldarium (warmwaterbad), het tepidarium (lauwwarm bad), het frigidarium (koudwaterbad) en de natatio (zwembassin). Naast deze hoofdruimten waren er nog kleed- (apodyteria), zweet- (laconicum), massage- (unctuarium) en allerlei andere ruimten, zoals sportzalen (palaestra) bij de baden aangelegd. Vaak waren de grote thermen uit de Keizertijd ook nog omgeven door een park en bevonden zich binnen de omringende muren nymphaea, bibliotheken, concert- en leeszalen. Het water werd over aquaducten naar de thermen geleid en daar in grote cisternen verzameld. De verwarming van de baden gebeurde door onder de vloer aangelegde ruimten of kanalen (hypocausten), waardoor hete lucht circuleerde die door haarden was verwarmd.

Theseus, nationale held of heros van de bewoners van Attica. Hij doodde rovers op de weg en de stier van Marathon. Met behulp van Ariadne doodde hij de Minotauros op het eiland Kreta. Hij vocht tegen de Centauren en schaakte Helena.

Tholos, tempel met een ronde plattegrond en een cilindrische opbouw.

Thyrsos, -staf: de in een dennenappel uitlopende, met klimop en wijnrank omwonden staf van Dionysos.

Tiara, Gr. Lat. tiaras, hoofdband, tulband; ook trigenium, Lat. drievoudige kroon; hoge, kegelvormige, met drie banden versierde, niet tot de godsdienst behorende hoofdbedekking van de paus.

Thiasos, Gr.: Oud-Griekse cultusgemeenscha p die een godheid, vaak Dionysos, of een overledene eerde door middel van feesten. De thiasoi konden echter ook voor zakelijke belangen worden ingezet. Ook de NabateeŽn kenden dergelijke gemeenschappen, de marzeah.

Timpaan, Gr. pauk, in de klassieke bouwkunst het driehoekige gevelveld tussen de kroonlijst en de schuin oplopende daklijsten van een gebouw, in de latere bouwkunst de ronde (Romaanse) of spitsbogige (gotiek) vulling tussen de bovendorpel en de boog, speciaal in de kerkportalen.

Tin, kanteel, rechthoekige, tandvormige punt op een muur, meestal in een rij.

Tiran, heerser die op onwettige wijze, met steun van een groep huurlingen of een deel van de bevolking, aan de macht gekomen is. In ruimere zin despotische en autocratische heerser.

Titelkerk/Titulus, Lat. titulus, opschrift; de al in de 3de eeuw gedocumenteerde, sinds de 4de eeuw gebruikelijke naam voor de binnen de Aureliaanse Muur gelegen Romeinse parochiekerken. Tituli waren voor de godsdienst bestemde ruimten in particuliere huizen met de naam/titel van hun eigenaar. De priesters die in deze tituli werkten, heetten 'cardinales', waaruit het ambt en de waardigheid van de kardinalen is gegroeid. Tegenwoordig is elke kardinaal kerkrechtelijk aangesteld als eigenaar van een titelkerk, herkenbaar aan diens wapen en dat van de regerend paus aan de kerkgevel.

Tondo, mv. tondi, It. bol, bord; Lat. rotundus: rond; een formaat waarin panelen en reliŽfs kunnen worden gemaakt. Afgeleid van het antieke medaillon en later van de christelijke gloriole. Vooral in de Renaissance uitgeprobeerd als compositorisch middel om de hoogste beeldende harmonie te bereiken. Een tondo geldt als een specifiek Florentijnse verschijning; hier heeft men vooral veel Madonna's in tondovorm gemaakt.

Tongewelf, gewelf in de vorm van een halve, in de lengte doorgesneden cilinder.

Tonsuur, Lat. tonsus, geschoren, het deel van het hoofd van een monnik dat is geschoren, als teken van zijn status.

Topgevel, meestal representatieve voorste afsluiting van een zadeldak, venster of aedicula, kan driehoekig, getrapt of boogvormig zijn uitgevoerd; het topgevelveld (timpaan) heeft vaak een gebeeldhouwde versiering.

Topografie, naar Gr. 'topos', plaats en 'graphein', (be)schrijven:  beschrijving van een geografische plaats, zo mogelijk met exacte weergave van alle details.

Turgor, L., turgŤere = gezwollen zijn, bijna barsten van het inwendige vocht, weefselspanning t.g.v. te veel bloed of weefselvloeistof. Bij planten: druk van een protoplast op zijn wand, voorzover deze de omgevingsdruk overschrijdt. Voor belangrijk deel danken kruidachtige planten hieraan hun stevigheid. Voor turgor moet er voldoende water zijn; tonoplast moet semipermeabel zijn; concentratie in de vacuole moet groter zijn dan er buiten; de celwand moet meegeven, maar ook weerstand bieden. Zie huidmondje

Opos, mv. topoi,  Gr. een clichť, in de literatuur een vaste uitdrukking; in de kunst een veelvoorkomende vorm, model, thema of motief

Toren faÁade, van een of meer torens voorziene faÁade; vanaf de Middeleeuwen geliefd motief en hoogheidsformule in de sacrale bouw

Torso, It. boomstronk, niet geheel bewaard gebleven beeld. Aanvankelijk duidde het begrip torso op antieke beelden die met afgebroken ledematen zijn opgegraven. Sinds de 16e eeuw bestaat de torso als beeldhouwkunstige vorm, Bozzetto.

Torus,  voetring aan een zuil, halfrond lijstwerk.

Tracering, zie Maaswerk.

Transept,  kruisbeuk of dwarsschip, in de kerkbouw de benaming voor het loodrecht op de lengteas van de kerk geplaatste houwdeel, bestaande uit viering en zijarmen.

Transfiguratie, naar Lat. 'transfigurare' , veranderen:  de verheerlijking van Christus en de weergave ervan in de kunst. Volgens MattheŁs (17:1≠9), Marcus (9:2-9) en Lucas (9:28-36) gaat Christus met de apostelen Petrus, Johannes en Jacobus naar een berg, waar tijdens hun gebed Zijn aangezicht en kleding oplichten. Bovendien verschijnen Mozes en de profeet Elia, die met Hem spreken. Christus verbiedt de geschrokken apostelen om voor Zijn opstanding over deze gebeurtenis te praten.

Translatie, het plechtig over- brengen van relieken.

Transsubstantiatie, transformatie van brood en wijn in lichaam en bloed van Christus

Trap, opeenvolging van treden, naar de uitvoering onderscheiden in lopen (richtingen) en armen (vertakkingen.

Travee, in de bouwkunst de benaming voor een gewelfveld, dwz. de oppervlakte tussen de vier aanzetten van een gewelf. In de kerkbouw dus speciaal de ruimte-eenheden tussen de vier dragende pijlers in het schip; ook toegepast in het vlak van bijv. een gevel die door pilasters of halfzuilen geleed is.

Trecento, It. driehonderd, aanduiding voor de 14e eeuw in de Italiaanse kunst. Artistieke centra waren Florence, Siena en Padua. Belangrijkste kunstenaars: Andrea Pisano en Giotto di Bondone. In de literatuur waren de belangrijkste namen. Dante Alighieri en Francesco Petrarca.

Tribuna, halfronde afsluiting van een Romeinse markt- of gerechtsbasilica.

Tribune, architectonische opbouw in een interieur. In basilieken is een tribune te vinden boven het zijschip, in centraalbouwwerken boven de omgang en in andere gevallen boven de westelijke ingang. Het doel van een tribune is het afzonderen van een deel van de bezoekers, bijvoorbeeld vrouwen of edelen.

Triclinium, Lat.; 1 eetkamer in een Romeins huis; 2 eetzaal van de pelgrims in een klooster.

Tridentinum, Concilie van Trente (1545- 1563), begin van de Contrareformatie.

Triforium, Lat. drieboogopening; Oudfr. Opengewerkt; gaanderij tussen de arcaden of de galerij en de ramen in een christelijke basiliek. Als de gaanderij ontbreekt en de arcaden pal tegen de muur staan, spreken we van een blind triforium. Het belangrijkste doel van een triforium is het ordenen van het hoge deel van het schip.

Triglief, Gr. driedelige kerf, in de klassieke bouwkunst een rechthoekige stenen plaat in de balk van een Dorische tempel waarin drie verticale kerven zijn gemaakt. Een triglief is vermoedelijk afgeleid van de met plankjes beklede kopse stukken van de dakbalken.

Triniteit, Lat. trinitas, drievoudigheid, Drie-eenheid; in de christelijke geloofsleer de drievoudigheid van God.

Triomfboog, in het oude Rome een erebouwsel voor de intocht van een zegevierende veldheer. In een christelijke basiliek is de triomfboog de hoog die koor en dwarsschip afgrenst van het middenschip.

Trionfo (It.), triomfantelijke intocht of ommegang van de heerser, ook de literaire of beeldende weergave daarvan.

Triptiek Gr. triptychos, drievoud, drieluik, naam van een schilderstuk of reliŽf met twee draaibare luiken ter zijde, die het middenstuk in gesloten toestand bedekken. Kwam aan het einde van de middeleeuwen algemeen in gebruik als altaarretabel.

Tripylon, letterlijk drie poorten of driedubbele deur. In Persepolis betreft het de hal van het centrale paleis.

Triumviraat, driemanschap, Lat. triumviri, tresviri, drie mannen;  verwarrende moderne aanduiding voor een door drie politieke leiders in het Rome van de 1ste eeuw v.C. gesloten pragmatisch verbond om een staatkundige plicht te vervullen of een gemeenschappelijk politiek doel te bereiken. De belangrijkste zijn de triumviraten van Pompeius, Crassus en Caesar (60v.C.) en van Antonius, Lepidus en Octavianus, de latere Augustus (43v.C.). Oorspronkelijk waren Triumviri een college van magistraten in de Romeinse Republiek met politie- en ordetaken.

Trumeau, middenpijler van een ingang, vaak met een beeld versierd.

Trommel,  cilindrisch onderdeel van de zuilenschacht. Zijn doorsnede is groter dan zijn hoogte.

Trompe-l'oeil, Fr. gezichtsbedrog, een met naturalistische precisie geschilderde voorstelling die bedoeld is om de toeschouwer te bedriegen door een illusie van de werkelijkheid op de muur op te wekken, bijvoorbeeld een vel papier dat met een spijker aan de muur is vastgemaakt. Voorwaarde voor succesvol bedrog is de beheersing van de volgende technieken. naturalistische precisie, perspectief, dat wil zeggen de weergave van een eenduidig te interpreteren ruimte, gecombineerd met een consequent uitgewerkte belichting, schaduwen.
Trompe-l'oeil-effecten zijn al bekend uit de Oudheid, wedstrijd tussen Apelles en Zeuxis,  en zijn sinds de 15e eeuw een apart genre, vooral in de Nederlandse stillevenschilderkunst.

Trompen, in de bouwkunde koepel- of   kegelvormige bouwelementen, die de overgang bewerkstelligen van een vierhoek naar een veelhoekige of ronde (koepel) bovenbouw.

Tumulus, graf heuvel in de Oudheid

Tuniek: Oud-Romeins kledingstuk voor mannen en vrouwen, aanvankelijk mouwloos; het ontwikkelde zich tot een wit wollen hemd met korte mouwen dat tot onder de knie reikte dat binnenshuis zonder gordel, en buitenshuis met gordel gedragen werd.

Tyche, geluksgodin; zij wordt vaak met een stad of tempel geassocieerd die aan haar is gewijd.

Typologie, naar Gr. 'typos' , gestalte, voorbeeld, en 'logos', leer, kunde:  leer van de correspondentie tussen het Oude en Nieuwe Testament die berust op de opvatting dat het Nieuwe Testament de vervulling van het Oude Testament is

Tyrannos, Gr.: Tiran, gewelddadig heerser, in de Oudheid een onwettige vorm van monarchie. Terwijl de vroege tirannen in de Griekse geschiedenis van de zevende en zesde eeuw v.C. de steden vaak tot culturele en economische bloei brachten, misbruikten de latere tirannen in de vierde en derde eeuw V.c. hun macht voor persoonlijk gewin.

Tyreense Ladder: gebied tussen de Kaap el≠Abyad en de Kaap el-Naqura.Ten zuiden van Tyros vormt deze 'Tyreense Ladder' een natuurlijke grens.

** Uw accommodatie  vindt u wereld wijd naar uw wens via: Booking
** U vindt bij Booking meer dan alleen hotels o.a.:
Appartementen - Resorts  - Villa's  - Hostels  - Accommodaties met onsen - Bed & Breakfasts  - Pensions  - Motels  - Ryokans  -  Vakantieboerderijen  - Vakantieparken  - Campings  -  Botels  - Herbergen  -  Aparthotels  -  Vakantiehuizen  -  Lodges  - Accommodaties bij particulieren  -  Landhuizen  -  Luxe tenten  - Capsulehotels  -  Lovehotels  - Riads  - Luxe Chalets