R      Naar alfab. overzicht. Naar uw accommodatie!

    
Radering
, van Lat. 'radere', schaven, krassen:  ook ets, rond 1500 in Augsburg (Daniel Hopfer) opkomende vorm van de kopergravure, waarbij de tekening met behulp van de etsnaald in een zorgvuldig gepolijste, met een zuurbestendige laag (etsgrond) behandelde koperplaat wordt gekrast. In het daarop volgende zuurbad trekt de reagens in de blootgelegde plaatsen van de plaat, waardoor een vlechtwerk van lijnen ontstaat dat op een tekening lijkt. Tegenover de lineaire, gelijkmatige trekken van een kopergravure wordt de radering gekenmerkt door een vrijer lijnenspel. Bij de radering ontstaan verschillende schakeringen, wat een kleurig picturaal effect heeft.

Ramessiden: de Egyptische farao's van de ne≠gentiende en twintigste dynastie (1293-1185 en 1185-1070 v.c.), die naar hun stichter Ramses I en zijn talrijke gelijknamige nakomelingen zijn genoemd.

Rapi'uma/rephaim, Arab.-Hebr., gewijde plaats waar de cultus voor gestorven koningen plaatsvond.

Raptus-groep/-voorstelling, roof- of ontvoeringtafereel.

Realisme, Middel-Lat. 'realis', zakelijk, wezenlijk; naar Lat. 'res', zaak, ding:  in de kunst de aanduiding van een maatschappijkritische weergave die ontstaat uit de observatie van de werkelijkheid. Het begrip verwijst ook naar een in de 19e,eeuw in Frankrijk ontstane stroming. De vertegenwoordigers van deze stroming keren zich vooral tegen het academisch strenge Classicisme en tegen de traditionele historieschilderkunst, zonder echter een uniforme stijl te ontwikkelen.

Receptie van antieken, het bewust overnemen van als klassiek en ideaal beschouwde ideeŽn, materialen en motieven, maar ook literaire en artistieke vormen uit de Grieks-Romeinse cultuur. Vooral gedurende de Renaissance werd er teruggegrepen op antieke elementen uit de filosofie, de architectuur, de beeldende kunst en de literatuur. Het nieuwe mens- en wereldbeeld was gebaseerd op de klassieke ideeŽn van een aardse en veelzijdige mens en werd vooral in ItaliŽ ingevoerd en gepropageerd door het Humanisme. Beeldende kunst en architectuur nemen de klassieke vormen over uit schriftelijke bronnen en na archeologisch onderzoek. Werken van Romeinse kunstenaars of kopieŽn van Romeinse werken werden herontdekt en verzameld. Vooral vondsten als die van de LaokoŲon-groep en de Drie GratiŽn baarden opzien.
Vitruvius boek ďDe Architettura Libri XĒ dat in 1415 werd ontdekt, beÔnvloede de Italiaanse renaissancearchitectuur en -theorie blijvend.

Redoute (Fr.), danszaal

Reducciůn (Sp.), in de Latijns-Amerikaanse landen voornamelijk door jezuÔeten gestichte nederzetting voor de kerstening van de indiaanse bevolking

Refectorium of refter, in een klooster of abdij de ruimte waar de maaltijden worden gebruikt.   

Reformatie, Lat. reformatio, verandering, vernieuwing; de door de stellingen (1517) van Martin Luther (1483-1546) en de daaropvolgende disputaties van Heidelberg en Leipzig in gang gezette beweging tot vernieuwing van do rooms-katholieke Kerk, die na heftige theologische conflicten uiteindelijk leidde tot opheffing van de westerse kerkelijke eenheid en het ontstaat van de protestantse Kerk.

Rťgence, overgangsstijl in de Franse kunst van het zware Louis XIV naar het sierlijker, speelser Louis XV, genoemd naar het regentschap van Philips van Orlťans (1715-1723) voor de minderjarige Lodewijk XV.

Re-Horachte: Egyptische zonnegod (naast Ra), die als schepper en geschapene uit de Chaos naar boven kwam en het eerste goddelijke paar voortbracht (Sjoe en Tefnet).

ReliŽf, Lat. relevare: verheffen, een voorstelling die door het modelleren of beitelen van een vlakke ondergrond meer of minder plastisch wordt. Afhankelijk van de mate van verheffing onderscheidt men vlak-, half- en hoogreliŽf, ook wel bas-, demi- en hautreliŽf. Het oude Egypte kende ook het verzonken reliŽf, waarbij de figuren in de basis zitten. Het reliŽf is een soort tussenvorm tussen de schilder- en beeldhouwkunst.

Reliekhouders, voorwerpen bestemd voor het bewaren van relikwieŽn. Zij komen in allerlei vormen voor en zijn vaak kostbaar versierd.

Relikwie, RelikwieŽn of relieken, Lat. reliquiae: overblijfsel, resten; vermeende overblijfselen van lichamen van heiligen of van voorwerpen waarvan zij gebruik hebben gemaakt.

Reliquiarium, Lat. reliquiae, overblijfselen, een bewaarplaats, reliekschrijn, reliekhouder, voor de stoffelijke resten van een heilige, veel gebruikt in de Middeleeuwen en, daarna. Ze waren vaak gemaakt van kostbare materialen en rijkelijk versierd.

Renaissance, Fr. wedergeboorte, progressieve culturele periode met verstrekkende invloed tussen de 14e respectievelijk 15e en 16e eeuw in Zuid-, West- en Midden-Europa. De bakermat van de Renaissance is ItaliŽ. Het begrip rinascitŗ werd in 1550 door Vasari gebruikt en hij bedoelde daar vooral de overwinning van de middeleeuwse kunst mee. Rond 1820 werd het begrip in Frankrijk als stijlaanduiding overgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de vroege (vanaf omstreeks 1420), de hoge (tot omstreeks 152011530) en de late Renaissance (ook wel ManiŽrisme genoemd, tot omstreeks 1600). Vooral beeldende kunstenaars, wetenschappers, filosofen en schrijvers ontwikkelden de cultuur van de Renaissance. Ze werden hiertoe aangezet door het Humanisme, dat met een beroep op de klassieke Oudheid de opkomst van een werelds mens-, natuur- en wereldbeeld bevorderde. Het sterke antropocentrisme zorgde onder andere voor het idee van de uomo universele, de geestelijk en lichamelijk in alles begaafde en gevormde mens. De stadstaten, die zich zien als erfgenamen van de Griekse polis, worden bepaald door het opkomende burgerdom en de afzonderlijke heersersfamilies, bijvoorbeeld de De Medici's, de Gonzaga's, de Sforza's. De architectuur is beÔnvloed door Vitruvius en wordt vooral gekenmerkt door het overnemen van klassieke elementen (bijvoorbeeld zuilen met klassieke kapitalen, antieke lijsten en ornamenten) en de opkomst van paleis- en slotarchitectuur; de centraalbouw wordt het typerendste renaissancegebouw. De beeldende kunsten promoveren van de status van ambacht naar de status van vrije kunsten, waardoor de sociale status van de kunstenaar verhoogt. Kunst en wetenschap staan in nauw verband met elkaar, bijvoorbeeld de ontdekking van de wiskundig te berekenen perspectief, en de anatomische kennis die de weergave van de menselijke figuur beÔnvloedt.

Repliek, Fr. 'rťplique', antwoord, nabootsing:  een sterk op het origineel lijkende versie van een kunstwerk, die door de kunstenaar zelf of door zijn atelier wordt vervaardigt.

Repoussoir, van Fr. 'repousser' , terugdringen, afschrikken:  aanduiding voor figuren of voorwerpen op de voorgrond van een schilderij, zoals boomstronken en architecturale elementen, die bijdragen aan de ruimteillusie en een inleiding vormen tot het hoofdtafereel erachter.

Resjef: Fenicische god van de pest en de dood, (West-)Semitische oorlogsgod die met Apollo gelijkgesteld werd. Volgens de Griekse schrijver Pausanias, die tussen 160 en 180 n.C. een beschrijving gaf van Griekenland en de omliggende landen, was hij de vader van Esjmoen, de god van de geneeskunst.

Retabel: gotisch vleugelaltaarRetabel, Lat. retabulum, achterwand; decoratief opzetstuk voor een altaar, dat in de Middeleeuwen rechtstreeks op het achterste deel van de mensa werd geplaatst en tijdens de Renaissance en de Barok op een onderbouw achter het altaar werd gezet. In de Middeleeuwen verscheen de retabel eerst als siersmeedwerk of reliŽf in steen, later ook in geschilderde vorm. De decoratie kan uit ťťn stuk of uit verschillende panelen bestaan. In de Gotiek werd de retabel voorzien van een soms rijke architectonische omlijsting en aanzienlijk uitgebreid door de toevoeging van vleugels. In de Renaissance en Barok beperkte men zich tot het middendeel.

Retorica, sinds de Oudheid gecultiveerde kunst van de gepaste redevoering

Retrato a lo divino (Sp.), heiligenuitbeelding met portretachtige trekken

Revoluticarchitectuur, aanduiding voor de slechts ten dele uitgevoerde, merendeels megalomaan ontworpen architectuur van de Franse architecten Bouilťe, Ledoux en Lequeu, gekenmerkt door een sterk monumentaal karakter

Rhetor, Gr.: redenaar en leraar in de retoriek die de hoge kunst van het spreken in het openbaar beheerste; ook iedereen die een cursus retorica had gevolgd.

Rib, constructiedeel van een gotisch gewelf, skelet waarboven de niet-dragende vullingen zijn opgemetseld; de rib wordt in de late Gotiek decoratief vormgegeven.

Rilievo, It. reliŽf, in de schilderkunst de indruk dat een voorwerp driedimensionaal is en van de achtergrond loskomt.

Rilievo schiacciato, It. geplet reliŽf; reliŽfstijl die door Donatello werd ontwikkeld met geringe hoogteverschillen in het oppervlak, zodat er bijna schilderkunstige nuances ontstaan en een schijnbaar onbegrensde ruimtelijkheid.

Rinascitŗ. It. wedergeboorte, het idee van de wedergeboorte stond centraal in de Renaissance, waarin wetenschappers, kunstenaars en politici hun tijdperk als een rinascitŗ van de Klassieke Oudheid zagen.

Risaliet, It. risalto: uitstekend deel, uitstekend bouwelement op een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms nog hoger. Al naar gelang de positie worden er een middenrisatiet, een zijrisaliet en een hoekrisaliet onderscheiden. Een risaliet is een in de Barok en de 19e eeuw gebruikt stijlmiddel om een gebouw te ordenen en te verlevendigen.

Risorgimento, Ital., wederopstanding;  die naar terugwinning van de ooit superieure culturele positie van ItaliŽ binnen Europa en herstel van de politieke eenheid van het land strevende beweging in de 18de en 19de eeuw. Als aanduiding van een periode slaat de term Risorgimento op de jaren tussen 1815 en 1870. In de in vele politieke programma's uitvoerig uiteengezette strijd om de toekomstige vorm van ItaliŽ won op het beslissende moment tijdens de vorming van een nationale staat (1859/1861) de door de liberaalconservatieven (Camilin Cavour) bevochten monarchistische oplossing onder leiding van de koning van Piemonte-SardiniŽ (Vittorio Emanuele II ) het uiteindelijk toch van de links-liberale democratische partij die werd aangevoerd door de politicus Giuseppe Mazzini en de legeraanvoerder Giuseppe Garibaldi.

Ritmische travťe, ruimtesegment dat ritmisch wordt onderverdeeld door de afwisseling van openingen en wandvlakken of door verschillende, trapsgewijs aangelegde zuilenordeningen.

Rococo, naar Fr. 'rocaille', rommel, grotwerk, schelpwerk):  Europese kunstperiode tussen 1720/1730 en 1770/1780, waarin vele elementen van de Barok tot rijping komen en tegelijk het Classicisme wordt voorbereid. Karakteristiek is een decoratieve stijl met een voorkeur voor lichtheid, het speelse en het kleine. In de schilderkunst komt dit tot uitdrukking in een helder palet. In de iconografie doet zich een tendens naar verwereldlijking en naar zinnelijke esthetica voor, en naar lyrische, idyllische, sfeervolle werken.

Romaans, Lat. romanus: Romeins, Romaanse stijl. De eerste algemene stijl van de Middeleeuwen, van ongeveer 950 tot 1150, die volgt op de Karolingische periode. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vroeg-Romaans, tot omstreeks 1080, hoog-Romaans, tot ongeveer 1150 en laat-Romaans, tot omstreeks 1240, in Duitsland en ItaliŽ bekend als 'staufische' stijl.
Kenmerken voor sacrale bouwwerken zijn: de zwaarte van de afzonderlijke elementen (een afwisseling van ronde en vierkante elementen); de nadruk op de westelijke voorgevel en het westelijk portaal als tegenwicht voor de oostkant die wordt benadrukt door dwarsschip en apsis
; de vele torens; de welving van het gehele interieur (na 1100).

Romantiek, cultuurstroming die eind 18de eeuw begon, in haar zuiverste vorm duurde tot midden 19de eeuw en een lange nabloei kende tot in de 20ste eeuw. Kenmerkend waren o.a. een herwaardering van het gevoelsleven in reactie op Verlichting en classicisme, hernieuwde belangstelling voor de middeleeuwen en een nieuw gevoel voor de natuur.

Rondboogfries, decoratieve band van gekoppelde bogen.

Roosvenster, groot rond venster, sedert de gotiek aangebracht in de west- en transept- gevels der kathedralen en gevuld met gebrandschilderd glas in concentrische schikking (traceringen).

Rotonda, It. rond gebouw, centraalbouw met ronde plattegrond of ronde ruimte binnen een gebouw.

Rozentuinmadonna, motief van de gekroonde moeder Gods met het Kind voor een rozenhaag of in een rozentuin die gedeeltelijk is omgeven door een hek. Ze wordt vergezeld door heilige maagden en musicerende engelen. De roos symboliseert de maagdelijke reinheid van Maria. Varianten van dit motief zijn de Madonna op de rozenbank en de Paradijstuin.

Rozet, Fr. roosje, gestileerde bloemvorm, gevormd naar de roos of de margriet. De rozet is een van de oudste en meest voorkomende ornamenten. Bij gotische kathedralen slaat het op het ronde raam.

Rustica, Lat. rusticus: landelijk, opus rusticus: boerenwerk; ook bossage. Met de term rustica wordt geduid op metselwerk van blokken met gladde zijkanten die aan de zichtbare zijde ruw gehakt zijn en uitsteken uit de loodlijn. Rustica werd al tijdens de Romeinse Oudheid en in de Middeleeuwen toegepast en wordt ook in de Renaissance en de Barok veel gebruikt. Rustica werd meestal alleen op de onderste verdieping toegepast en moest het gebouw een imposant en weerbaar aanzien geven.

Ryton, hoornvormige drinkbeker, vaak met het hoofd en soms ook de voorpoten van een dier, bijvoorbeeld een leeuw, paard, stier, steenbok. 

** Uw accommodatie  vindt u wereld wijd naar uw wens via: Booking
** U vindt bij Booking meer dan alleen hotels o.a.:
 Appartementen - Resorts  - Villa's  - Hostels  - Accommodaties met onsen - Bed & Breakfasts  - Pensions  - Motels  - Ryokans  -  Vakantieboerderijen  - Vakantieparken  - Campings  -  Botels  - Herbergen  -  Aparthotels  -  Vakantiehuizen  -  Lodges  - Accommodaties bij particulieren  -  Landhuizen  -  Luxe tenten  - Capsulehotels  -  Lovehotels  - Riads  - Luxe Chalets