P, Q       Naar alfab. overzicht. Naar uw accommodatie!

    
Pagode
, torenachtig bouwtype, stammend uit Oost-AziŽ, met meerdere over elkaar heen geplaatste daken

Paideia (Gr.): opvoeding, tucht, door onderwijs en studie verkregen vorming en algemene ontwikkeling, en kennis der wetenschappen.

Pala, It. pala, paneel, een groot altaarstuk.

Palazzo, It. paleis, Lat. palatium; representatief woonhuis of openbaar gebouw. Afgeleid van de Romeinse keizerlijke paleizen. Deze bouwstijl domineert gedurende de Renaissance en de Barok.

Palazzo Vecchio, It. oud paleis, het stadhuis van Florence, zetel van het stadsbestuur, ook wel Palazzo Signoria genoemd.

Paleiskapel, sacrale ruimte in een paleis, voorbehouden aan de soeverein en zijn familie

Paleologische periode, bestrijkt de laatste tweehonderd jaar, van 1259 tot 1453, van het Byzantijnse rijk. De troon werd toen bezet door de dynastie van de Paleologen. De eerste Palcologenkeizer was, zoals gewoonlijk, een usurpator (overweldiger).

Palet, Lat. pala, spade, het plankje waarop een kunstenaar kleuren mengt; het kleurenbereik dat een kunstenaar gebruikt.

Palladianisme, vooral in het 17c-eeuwse Engeland overheersende stijlrichting die zich richt op de bouwwerken en publicaties van Andrea Palladio; beleeft in de 18e eeuw als Neopalladianisme een opleving

Palladio-motief, Venetiaans venstermotief, waarbij een middelste brede boog wordt geflankeerd door twee smalle, met een hoofdgestel gesloten openingen.

Palmet: in de architectuur een ornament in de vorm van palmbladeren in een streng symmetrisch patroon langs een min of meer benadrukte as.

Palts, middeleeuws paleis van vorsten die geen vaste residentie hebben.

Pandecten, Gr. pandektes, alles omvattend, een uitvoerige samenvatting van de Romeinse burgerlijke wetten, deel van de Corpus Juris Civilis, Romeins burgerrecht.

Paneelaltaarstuk, Lat. 'altare', offertafel: altaarstuk dat vooral aan het einde van de 15e en het begin van de 16e eeuw in Duitsland en de Lage Landen geliefd is. Het middendeel, de altaarschrijn, wordt omvat door twee uitklapbare panelen, die aan de binnen- en buitenkanten uitgesneden of geschilderde taferelen bevatten.

Panegyriek: kunst van het schrijven of voordragen van lofdichten en lofredes.

Panneau (Fr.), omraamd veld met schilderij, beeldhouwwerk of ornamenteel decor.

Pantarhei
, Alles stroomt, alle dingen veranderen voortdurend,  Beginsel van de presocratische filosoof Heraclitus van Ephese.

Panorama, zie Landschapsschilderkunst.

PantheÔsme, wijsgerige leer die stelt dat de wereld en de godheid identiek zijn en dat de godheid het leven van het heelal zelf is.

Pantheon, Lat. 'pantheum'; Gr. 'pantheion', tempel van alle goden: eretempel, alle goden van een volk, oorspronkelijk een cultusbouwwerk in Rome dat aan alle goden is gewijd.

Papyrus: moerasplant, Cyperus papyrus; het papier dat van de stengels werd gemaakt; een tekst die op papyrus geschreven is Voor het maken van papier sneden de Egyptenaren de geschilde stengels in de lengte in stukken en legde ze kruislings over elkaar; bij het drogen plakten de stukken aan elkaar. Zowel rollen als losse bladen van papyrus werden beschreven.

Paradijstuin, Gr. 'paradeisos', hof van Eden: in de christelijke iconografie uitgewerkt motief van de 'Rozentuinmadonna'. Het toont Maria lezend of spelend met het Kind, omringd door heiligen en musicerende engelen in een gesloten tuin, de 'hortus conclusus' . Deze verwijst naar de onbevlekte ontvangenis van de moeder Gods. De verschillende bloemen verwijzen naar haar deugden.

Paragone
, It. vergelijking, een zekere rivaliteit tussen de schilderkunst en de beeldhouwkunst tijdens de Renaissance om te bepalen welke het belangrijkst was. Het debat dat hierdoor in gang werd gezet, hielp de aard en rol van beide kunstvormen bepalen.

Parnassus, Gr. 'parnassos', berg bij Delphi, Midden≠Griekenland:  in de Griekse Oudheid de berg der muzen, het rijk van de literaire kunst. Sinds de Renaissance, vooral in de Barok, wordt de berg weergegeven met de tronende god Apollo, omringd door de muzen, de negen godinnen van de kunsten. Als bekroning verschijnt vaak Pegasus die omhoog vliegt, een gevleugeld paard met wonderbaarlijke krachten.

Parodos, zijingang van een Grieks theater aan de rand van het orchestra.

Parthen: Iraanse stam die Iran en MesopotamiŽ veroverde en van het midden van de derde eeuw v.C.tot de derde eeuw n.C over dit gebied (ParthiŽ) heerste. Ze waren herhaaldelijk in oorlog met de Seleuciden, en later met de Romeinen.

Parthische kunst: aanduiding voor de kunst uit de steden van de steppen van ParthiŽ (Palmyra, Dura Europos, Hatra) uit de eerste drie eeuwen n.C. Het is een samenstelling van twee stijlen, de Griekse en de West-Aziatische, waarin de Griekse elementen overheersen. De Parthische kunst wordt gekenmerkt dom een zekere verhevenheid en frontaliteit: zelfs bij het uitbeelden van een groep figuren worden deze naast elkaar en met het gezicht naar voren neergezet, waardoor iedere vorm van dramatiek ontbreekt De opbouw van de figuren toont een hoge mate van verstarring van Griekse en Perzische vormen en een schematische lijnvoering in de gewaden.

Pasco (Sp.), wandelgang, promenade

Paso (Sp.), ommegang, ook draagbaar heiligenbeeld bij processies.

Passiecyclus, afbeeldingen van het lijden en de dood van Christus. De belangrijkste scŤnes zijn. Christus' binnenkomst in Jeruzalem, het Laatste Avondmaal, de kwelling in de tuin, het verraad van judas, de verloochening van Petrus, Christus voor Pilatus, de geseling en de bespotting van Christus, de weg naar de Calvarieberg; de kruisiging; de kruisafneming en de graflegging.

Passie
, Lat. lijden, het lijden van een martelaar, het lijden van Christus in de passie.

Pastelschilderkunst, naar It. 'pasta', deeg:  schilder- en tekentechniek door middel van eenkleurige, zachte stiften uit samengeperste kleurstof. Deze worden vůůr 1500 in Frankrijk gebruikt en dienen in combinatie met vaste hechtende tekenmiddelen, zoals zilverstift, koolstof en roodkrijt aanvankelijk alleen voor de uitvoering van een tekening (portrettekening). Als drager fungeert meestal zacht, gekleurd natuurpapier. In de 16e en 17e eeuw wordt deze techniek toegepast in ItaliŽ, Nederland en Frankrijk, waar ze in de 18e eeuw een bloeiperiode beleeft.

Pasteus, It. 'pastoso', zacht, week, deegachtig; naar It. en Lat. 'pasta', deeg:  dikke, in reliŽf opgebrachte olieverf.

Pastorale, naar Lat. 'pastoralis' , herderlijk:  al op antieke muurschilderingen voorkomende, in de Renaissance nieuw leven ingeblazen en in de Barok en het Rococo geliefde weergave van het idyllische herdersleven.

Patera, Lat. offerschaal: rond versieringselement in een fries in de vorm van een offerschaal. Het vlakke, open aardewerk, de phiale, Gr., diende als drinkschaal en voor het brengen van plengoffers.

Patriarch, patriarchaat, Gr.: in Byzantium was de patriarch het hoofd van een aantal aaneengesloten kerkprovincies. Bij de vele onafhankelijke kerken in het oosterse christendom was het de titel va n de geestelijk leider. Het patriarchaat is het ambtsgebied van een patriarch.

Patriarchiale basiliek, Lat. basilica maior; sinds de 17de eeuw titel van een direct onder de paus vallende basiliek Een patriarchale basiliek bezit bepaalde privileges en is voorzien van een pauselijk altaar en een pauselijke troon. Patriarchale basilieken in Rome zijn de lateranenbasiliek, de St.-Pieterskerk, de S. Paolo fucri Ie Mura en de S. Maria Maggiore. Een bezoek aan alle patriarchale basilieken kon onder bepaalde omstandigheden een aflaat opleveren; in het Heilig Jaar wordt in de patriarchale basilieken een heilige deur (Lat. Porta Sancta) geopend.

PatriciŽr, Lat. patricius, afstammeling van een Romeins adellijk geslacht;  Romeinse geboorteadel. PatriciŽrs bezaten onder de Etruskische koningen het grootste deel van de grond en breidden hun macht uit door familiaire verbintenissen en een netwerk van politieke contacten. Ze speelden een grote rol bij de val van de Etruskische koningen in het begin van de 5de eeuw v.C. en namen de politieke macht over (begin van de Romeinse Republiek). Gedurende de klassenoorlogen moesten ze hun suprematie verdedigen tegen de plebejers. Met de politieke gelijkstelling van het plebs aan het eind van de 4de eeuw v.C. ontstaat een sociaal gemengde, nieuwe elite, de 'nobilitas', en het patriciaat neemt in de loop der eeuwen steeds meer af. Sinds Augustus worden dikwijls leden van de nobilitas tot het patriciaat verheven, waardoor het karakter van geboorteadel definitief verdwijnt.

Patronaat, naar Lat. 'patronus', beschermheer:  waardigheid, ambt en positie van een beschermheer; de juridisch geregelde relatie tussen een stichter en de door hem gestichte kerk, die hij financieel ondersteunt; beschermheerschap.

Pelgrimskerk, doel van een pelgrimstocht naar buitengewoon vereerde relieken, zoals de apostelgraven. Tot de zeven pelgrimskerken van Rome behoren de St.- Pieter, de S. Giovanni in Laterano, de S. Maria Maggiore, de S. Pacio fuori le Mura, de S. Croce in Gerusalemme, de S. Sebastiano fuori le Mura en de S. Lorenzo fuori le Mura. Paus Bonifatius VIII (pontificaat 1294-1303) schonk in het Heilig Jaar 1300 de bezoekers van de zeven pelgrimskerken kwijtschelding van al hun zonden.

Pendant, Fr., hangend: aanvullend tegendeel, tegenhanger.

Pendentief, een vooral in de Byzantijnse bouwkunst vaak toegepast hoekelement om een vloeiende overgang te krijgen van een vierkante plattegrond naar een daar bovengelegen cirkelvorm, bijv. van een koepel.

Pendentiefkoepel, boven pendentieven gebouwde koepel

Peplos, Grieks gewaad voor de vrouw. Bestaat uiteen vierkant stuk wollen stof dat om het middel door een riem bijeen wordt gehouden en daardoor opbolt. Traditioneel kleed van Athena dat door de Ergastinen voor het feest van de Panathenaea werd geweven.

Peraia, Gr.: het grondgebied op het vasteland van een eilandstad in het oude Griekenland.

Pergameens(-e kunst): kunst uit het Pergameense Rijk, 283-133 v.C, met de hoofdstad Pergamon, een stad in MysiŽ bij de huidige Turkse stad Bergama aan de EgeÔsche Zee. Pergamon was in de derde en tweede eeuw v.C. een centrum van de Griekshellenistische wereld Het kenmerk van de Pergameense kunst is een levendig naturalisme en een voorliefde voor grote, evenwichtig opgebouwde composities met veel figuren.

Pergola, It), een doorgang overdekt met een latwerk waar klimplanten tegenaan groeien.

Peribolas, Gr.: het heilige terrein rond een antieke tempel.

Peribool, omheinde, met bomen beplante ruimte rond een tempel.

Peripteros, tempel of ander bouwwerk dat rondom omgeven is door een zuilengang.

Peristyl, Gr., of Peristylium een door zuilen omgeven ruimte, vooral de zuilenbinnenplaats van een particulier woonhuis sinds de Hellenistische tijd. Het begrip duidt ook op de door zuilen omgeven pleinen in Romeinse steden.

Perkament, van Gr. 'Pergamon', antieke stad in het Mysische Noordwest-Klein-AziŽ, tegenwoordig het Turkse Bergama:  in scherp kalkloog gebeitste dierenhuid (van schaap, geit of kalf), die als houdbare schrijf- of schilderondergrond in de 4e eeuw n.Chr. definitief het vergankelijkere papyrus verdringt. In de middeleeuwse boekschilderkunst dient perkament voor de vormgeving van codices, oorkonden en handschriften; verder wordt het toegepast als drager van polimentverguldingen. Perkament is zeer duur. Het wordt soms gebruikt als drager voor tekeningen (Albrecht DŁrer) en dient in de paneelschilderkunst van de 12e tot de 16e eeuw als materiaal voor de bekleding van de schilderpanelen, nog voordat het paneel wordt gegrond. Door de introductie van het papier verliest het perkament steeds meer aan betekenis.

Perpendicular, stijlstadium van de gotische architectuur in Engeland, ongeveer 1330-1530, die ook in de Engelse Neogotiek weer wordt opgenomen

Personificatie, Lat. persona,  persoon, en facere, maken; de afbeelding van concrete, maar levenloze en onpersoonlijke zaken of begrippen, zoals deugden, in de vorm van personen, met bijbehorende attributen; een vorm van de allegorie.

Perspectief, Lat. perspicere: ergens doorheen zien, duidelijk zien;in de beeldende kunst verwijst het begrip naar het systeem van de verkorte weergave, verkorting, van driedimensionale ruimte op een tweedimensionaal vlak. Door het gebruik van de perspectivische constructie ontstaat voor het oog een ruimtelijke indruk. De belangrijkste perspectief sinds de Renaissance is de centraalperspectief. Hier komen alle in de diepte lopende lijnen in ťťn punt bijeen, dat het standpunt van de toeschouwer bepaalt en waarbij alle parallel aan het beeldvlak lopende lijnen onveranderd blijven. Om tot een heldere weergave van de ruimte te komen, mogen niet alle vervormingen worden doorgevoerd omdat het bifocale gezichtsvermogen van de mens en zijn beweeglijke standpunt een zekere aanpassing eisen.
De wetenschappelijk-mathematische constructie van de perspectief werd vermoedelijk rond 1420 ontdekt door Brunelleschi en in 1426 voor het eerst door Masaccio toegepast in zijn DrieŽenheid-fresco in de Santa Maria Novelia. Leon Battista Alberti legde in 1436 de principes voor het eerst vast.
Belangrijk voor de illusie van ruimtelijkheid is verder de perspectief van licht, lucht en kleur, die volgens de wetmatigheid verloopt dat alle kleuren in de verte lichter worden en daardoor minder intens lijken te worden.

PhoeniciŽ -> FeniciŽ.

Phylarch, Gr.: stamhoofd; een woord waarmee eerst alleen een taak aangeduid werd, maar dat in de loop van de tijd als ambtstitel werd gebruikt.

Piano nobile, It., belangrijkste verdieping van een groter gebouw.

Piazza It., een openbaar plein in een Italiaanse stad.

PiŽdestal, sokkelvormige onderbouw bij steunelementen.

PietŠ,It.: medelijden, erbarmen, barmhartigheid; afkorting voor Maria Santissima delta PietŠ, vesperbeeld. Een PiŽta laat een afbeelding zien van de Maagd met Christus lichaam op haar schoot.

Pigment, Lat. 'pigmentum', kleurstof:  gekleurd poeder dat verf wordt als het wordt vermengd met oplosmiddelen, zoals oliŽn, water en terpentijn, en bindmiddelen, zoals lijm en hars. Bij het fresco (wandschilderingen op vochtige pleisterkalk) wordt het pigment alleen met water gemengd.

Pilaar, pijler, Lat. pila;  verticale stut met ronde, vierkante, recht- of veelhoekige dwarsdoorsnede. Hij kan verdeeld zijn in een basis (voet), een schacht (middendeel) en een kapitaal (kopstuk). Afhankelijk van positie en vorm kan men onderscheid maken tussen vrije, wand- en hoekpilaren en steunberen (pijlers buiten het bouwwerk, die het totale gewicht van muren, gewelf en dak opvangen). In tegenstelling tot zuilen vertonen ronde pilaren geen verdikkingen of versmallingen.

Pilaster, Lat. pilastrum, pilaar, weinig uitspringende  muurpijler, voorzien van basement en kapiteel. Veel voorkomend in renaissance- en barokgevels.

Pinacotheek, een gebouw of ruimte waar een verzameling schilderijen wordt getoond. Voorbeeld: de zaal van de propyleeŽn van de akropolis in Athene.

Pinakel, Gr. phiale: houder,  of finaal, architectonisch sierelement uit de Gotiek. Slanke, spitse piramide. Een pinakel wordt vooral als bekroning van streefpijlers en als flankering van wimbergen gebruikt. Het onderste deel van het meestal vier of achthoekige element is vaak versierd met maaswerk.

Pistikos, Gr.: Byzantijnse, lage burgerlijke titel, ongeveer dorpsoudste.

Pithoi, Grieks voor de grote vaten of kruiken van keramiek voor het opslaan van graan, olijven, wijn en olie.

Plasticiteit, Gr. plastikos, wat kan worden gemodelleerd, modelleerbaar, in de schilderkunst de ogenschijnlijke drie dimensionaliteit van voorwerpen, een sculpturale volheid van vorm.

Place royale (Fr.), koningsplein, uniform bebouwd monumentaal plein, meestal met heersersstandbeeld; krijgt in het 17e- eeuwse Frankrijk een bijzondere representatieve, stedenbouwkundige betekenis

Plafond, vlakke zoldering

Plaza mayor, evenals de placeroyale, regelmatig, representatief stadsplein, meestal omgeven door zuilenhallen

Pleasureground, Engelse aanduiding voor een gazon dat onmiddellijk grenst aan de villa en bijzonder zorgvuldig is vormgegeven; vaak van de rest van het park afgegrensd door een vijver

Plebejers, heterogene laag van niet-adellijke Romeinen: meest boeren, maar ook kooplieden en ambachtslieden. In de klassenoorlogen, ca. 470-300v.C., organiseren de plebejers zich in eigen politieke groeperingen. Deze slagen erin politiek gelijke rechten en rechtszekerheid tegenover de patriciŽrs te bewerkstelligen. De belangenvertegenwoordigers van de plebejers, volkstribunen, worden in 287v.C. door de patriciŽrs als staatsbeambten erkend. Na 287 v.C. is 'plebs' de aanduiding voor alle bevolkinslagen onder de standen van senatoren en ruiters.

Plengoffer,  offer aan de goden van een vloeistof die men over het altaar of de vloer uitgiet.

Plundering van Rome, de plundering van Rome door de huurlingen van keizer Karel V Ze bezetten de stad van 6 mei 1527 tot 17 februari 1528. De paus werd gevangengenomen, duizenden mensen werden gedood en kerken en paleizen raakten zwaar beschadigd.

Point de vue, Franse aanduiding voor een uitzichtpunt dat in de vorm van een tuinbouwwerk, een plastiek of een vijver het einde van een zichtas markeert

Polis, mv.poleis, Gr.: politiek en bestuurlijk complex uit de Grieks-Romeinse Oudheid, dat in Byzantium langer stand hield. Een polis bestond uit een stad en de chora en had zelfbestuur.

Polychroom, veelkleurig

Polychromie, Gr. poly: veel, verschillend, chroma: kleur; veelkleurigheid in de betekenis van bont. Het begrip duidt op het naast of tegen elkaar plaatsen van kleuren op een voorwerp, zonder geleidelijke overgangen en zonder basiskleur. Polychromie wordt vaak decoratief gebruikt, glasschilderkunst, mozaÔek, inlegwerk.

Polygoon, veelhoek

Polygonale muur, een muur van onregelmatige grote steenblokken die nauwkeurig op elkaar zijn geplaatst.

Polyptiek, Gr. polyptysso: vaak gevouwen, veelluik, een schilderij, meestal een altaarstuk, retabel, gemaakt van een aantal panelen die aan elkaar zijn gezet. Sommige polyptieken waarvan de panelen in bewerkte en gedecoreerde houten lijsten werden gezet, waren zeer ingewikkeld.

Pomerium, Lat. heilige stadsgrens, die niet zichtbaar was, maar alleen als denkbeeldige lijn bestond en slechts op de keerpunten door 'cippi' (grenstekens van hout of steen) met opschrift was gemarkeerd. Binnen het pomerium mocht niet worden begraven en mochten geen wapens worden gedragen.

Pompejische stijl de schilderkunst van Pompeji wordt gewoonlijk in twee stijlen ingedeeld, die gebaseerd zijn op de invulling van de achtergrond. De eerste Pompejische stijl wordt gekenmerkt door bijzonder plastische imitaties van verschillende soorten marmer, met sterke kleurcontrasten en een subtiel spel van lijnen en vlakken. In de tweede Pompejische stijl overheerst de architectuur in hoge mate de schilderingen; aangenomen wordt; dat de composities zijn gebaseerd op de coulissen van het toneel

Ponderatie, Lat. ponderare: afwegen, harmonische verdeling van het gewicht over de ledematen van een plastiek.

Ponsen, It. 'punzonatura', stansen; naar Lat. 'pungere', steken:  ornamenten en metaal en leer bewerken met staalstiften of ponsstempels. Deze bijzondere decoratietechniek uit de edelsmeedkunst wordt overgenomen in de middeleeuwse paneelschilderkunst.

Pontifex Maximus, titel van hogepriester, pontifex maximus = opperbruggenbouwer. De Pontifices vormden een priestercollege met het hoogste gezag in alle religieuze kwesties. Hun aantal bedroeg oorspronkelijk drie, maar steeg onder Sulla en Caesar tot vijftien, respectievelijk zestien pontifices. Onderleiding van de Pontifex Maximus houden de priesters toezicht op het naleven van de religieuze feestdagen. Sinds de 5de eeuw n.C. wordt Pontifex Maximus ook als titel van de paus gebruikt.

Pontificaat, Lat. pontificatus, de waardigheid van hogepriester;  ambtstijd van een bisschop of paus.

Portaal, Lat. portale, voorhal; een meestal monumentale ingang van een gebouw die wordt benadrukt door een architectonische omlijsting. Een portaal werd voor het eerst gebruikt in de antieke bouwkunst en verder ontwikkeld tijdens de Renaissance, wanneer pronkportalen met antieke vormen worden gebouwd. Ze komen dan in toenemende mate ook voor in profane gebouwen.

Portret, Fr. 'portrait'; Lat. 'protrahere', naar voren halen of konterfeitsel, Fr. 'contrefait', nagemaakt; Lat. 'contrafacere', namaken:  een portret van een bepaalde persoon dat de individuele gelaatstrekken nauwkeurig weergeeft. In principe moet er echter alleen sprake zijn van een gelijkenis; het portret mag niet volledig overeenkomen met de uiterlijke verschijning van de weergegeven persoon. Zo wordt bij het bovenindividuele portret de persoon aangeduid door zijn naam, ambtsteken, attributen, symbolen of wapens. De hoofdfunctie van het portret is de representatie van afwezige personen, zodat men aan hen denkt en hen kan eren. Daarom is dit genre na de religieuze schilderkunst het belangrijkste genre. Men onderscheidt een enkel-, dubbel- en groepsportret.

Porticus, Lat. zuilengang, hal; overdekte zuilengaanderij voor de ingang van een gebouw.

Postament, Ital. postare, plaatsen;  sokkel of onderbouw van een pilaar, zuil of standbeeld.

Poterne, militaire architectuur: sluippoort.

Praefectus praetorio, Lat.: oorspronkelijk de bevelhebber van de Pretoriaanse Garde. De titel praefectus werd in Byzantium gebruikt voor ambtenaren met een specifieke opdracht. Een praefectus praetorio was hier een hoge burgerlijke ambtenaar, waarvan het ambtsgebied prefectuur werd genoemd.

Predella, It. podium, voetenbank; een schilderij of sculptuur dat onder de hoofdscŤnes of panelen van een altaarstuk is geplaatst en een soort plint vormt. Lange en smalle geschilderde predelia's geven meestal meerdere scŤnes weer die in verband staan met de onderwerpen erboven.

Prefect, Lat.: hoge burgerlijke of militaire ambtenaar in het Romeinse Rijk.

Prefigaratie, de aankondiging van mensen en gebeurtenissen in het Nieuwe Testament door mensen en gebeurtenissen in het Oude Testament. De twaalf profeten worden bijvoorbeeld gezien als voorbode van de twaalf apostelen. Prefiguratie speelde een belangrijke rol in de iconografie van de renaissancekunst.

Prehistorie, de periode in het bestaan van de mens vůůr het gebruik van het schrift. Begin en einde van de prehistorie verschillen per gebied. Men deelt de prehistorie in periodes in, die elk weer in subperiodes en culturen zijn onderverdeeld: het Paleolithicum of oude steentijd, het Mesolithicum of middensteentijd, het Neolithicum, of nieuwe steentijd, de kopertijd, bronstijd en ijzertijd.

Presbyterium, Gr. presbyterion, raad van oudsten; ook priesterkoor, verhoging aan het eind van het langschip van een basiliek; deze ruimte is gereserveerd voor de geestelijke.

Presocraten, filosofen,  denkers uit het antieke Griekenland uit de tijd voor Socrates, die zich voornamelijk bezighielden met het verklaren van de natuur van het universum.

Primer, een laag die wordt aangebracht op linnen of op een paneel om het geschikt te maken voor beschildering. De deklaag geeft een uniforme textuur aan het oppervlak en geeft dat absorptievermogen. Witte lagen geven de kleuren die erop worden aangebracht helderder weer. Donkere lagen kunnen worden gebruikt om vorm te modelleren, waarbij de kunstenaar geleidelijk steeds lichtere tinten gebruikt.

Proconsul: een consul die na afloop van zijn imperium (macht) i n Rome gouverneur werd van een provincie van het Romeinse Rijk. In de keizertijd werden alle gouverneurs van senaatsprovincies proconsul genoemd.

Procuratorische provincie: een Romeinse provincie die door een procurator, een ambtenaar, werd bestuurd.

Profane schilderkunst, Lat. 'profanus', voor het heilige domein liggend, ongeheiligd:  schilderkunst voor seculiere, alledaagse, nietkerkelijke doeleinden; het tegengestelde van sacrale schilderkunst.

Profil perdu, Fr. verloren profiel, een pose waarbij het hoofd is afgewend van de toeschouwer, zodat slechts een contour van de wang zichtbaar is.

Prometheus, een titaan; als wijze zoon van Lapetus en de Oceanide Clymene brengt hij het vuur van de hemel naar de aarde, waardoor hij de culturele ontwikkeling van de mens bevordert. De mythe wordt door afzonderlijke dichters (Hesiodus, Aeschylus, Plato) verschillend verteld.

Pronaos, Grieks voor de zaal of vestibule voor de naos van de tempel.

Proportie, Lat. 'proportio', evenredigheid, gelijk van maat:  grootteverhouding; in de schilder≠kunst, beeldhouwkunst en architectuur de verhoudingen van afzonderlijke delen tot elkaar en tot het geheel.

PropyleeŽn,  monumentaal portaal, vaak voorzien van een gevel met een colonnade die toegang verleent tot een Grieks heiligdom. Bijv. in Phaestos

Propylon, zie anteporticus.

Proskenion, Lat. Proscenium, toneel in het antieke theater. Een vlak tussen de muur van het toneel, frons scenae,  en het orchestra.

Prostylos, Gr.: een type tempel waarbij voor het portaal een zuilenrij staat.

PtolemaeŽn of Lagiden: dynastie die na de dood van Alexander de Grote van 323 v.c. tot 30 n.c. over Egypte heerste. Alle mannelijke heersers heetten Ptolemaeus en waren nakomelingen van Ptolemaeus I, de zoon van Lagos waarnaar de dynastie ook wel die van de Lagiden wordt genoemd. De beroemdste koningin van de dynastie was Cleopatra VII.

Puntgevel, afsluitende wand aan de smalle kant van een zadeldak of ter bekroning van een raam. De basisvorm is driehoekig, met variaties die zijn aangepast aan de vorm van het dak. De omtrek wordt vaak versierd (profielen, kroonlijsten) of er staat een gebeeldhouwde versiering op.

Putto, It. kind, jongetje; naakte, kleine jongensfiguurtjes met of zonder vleugels. Putti komen zowel in de wereldse als in religieuze voorstellingen voor en zijn meestal speels handelend afgebeeld. Ze zijn een uitvinding van de vroege Italiaanse Renaissance en kunnen gelden als voortzetting van de gotische kinderengelen die weer van de klassieke eroten, minnegodjes, afstamden.

Q      

qanat, zie foggara

qibla, Arab.: de richting van Mekka, waarnaar alle islamieten hun gebed richten. De qibfamuur in een moskee ligt in de richting van Mekka; hier tegenaan bevindt zich de mihrab.

Quadratuurschilderkunst, It. 'quadratura', vierendeling, kwadratuur; naar lt. 'quadrare', vierkant maken:  illusionistische wand- en plafondschilderkunst, waarbij de ruimtelijke grenzen door geschilderde schijnarchitectuur worden uitgebreid.

Quadriga Lat., quattuor, vier, en jugum, juk;  vierspan voor een open, tweewielige strijdwagen. In de bouwkunst komt sinds de 4de eeuw v.C. de quadriga voor als decoratieve bekroning van gebouwen, in het bijzonder van erebogen

Quadro riportato It., door een omraming geaccentueerde, zelfstandige voorstelling binnen een muur- of plafondschildering

Quattrocento, It. duizend, vierhonderd, de 15e eeuw in de Italiaanse kunst. De term wordt vaak gebruikt voor de nieuwe kunststijl die kenmerkend was voor de vroege Renaissance, in het bijzonder voor werken van Masaccio, Brunelleschi, Donatello, Botticelli, Fra  Angelico en anderen. Het werd voorafgegaan door het trecento en gevolgd door het cinquecento.

Querelle des anciens et des modernes (Fr.), in de late 17e eeuw aan de Parijse Acadťmie Royale gevoerd debat over de relatie tussen Oudheid en moderne tijd alsmede over de waarde van dessin, contour of kleur; ze werd gerelateerd aan de tegenstelling tussen de schilderkunst van Nicolas Poussin en Peter Paul Rubens      

** Uw accommodatie  vindt u wereld wijd naar uw wens via: Booking
** U vindt bij Booking meer dan alleen hotels o.a.:
 Appartementen - Resorts  - Villa's  - Hostels  - Accommodaties met onsen - Bed & Breakfasts  - Pensions  - Motels  - Ryokans  -  Vakantieboerderijen  - Vakantieparken  - Campings  -  Botels  - Herbergen  -  Aparthotels  -  Vakantiehuizen  -  Lodges  - Accommodaties bij particulieren  -  Landhuizen  -  Luxe tenten  - Capsulehotels  -  Lovehotels  - Riads  - Luxe Chalets