K      Naar alfab. overzicht. Naar uw accommodatie!

    
Kabinetstuk
, Fr. 'cabinet', kabinet, klein nevenvertrek: een schilderij dat vanwege het bijzondere karakter van de weergave en zijn kleine formaat zeer geschikt is om in een privťkabinet te worden bewaard. Deze schilderijen komen in de 15e eeuw op en zijn een resultaat van de steeds populairder wordende privťcollecties.

Kalief, Arab. opvolger: opvolger van Mohammed, de geestelijk en soms ook wereldlijk leider van de islam.

Kalot, Fr. lotte, kapje; bolvormig gewelf dat de apsis afsluit (kwart bol).

Kandelaar, Fr. 'candťlavre'; naar Lat. 'candela', kaars: kostbare, vaak rijkversierde kaarsen- of lampenhouder.

Kansel, Lat. cancelli. hekwerk, tralies; preekstoel, voor het koor gebouwde verhoging om te preken in een christelijke kerk.

Kantelaaf, soffiet, aan de ene kant verwijst een kantelaaf naar een schuin lopende afgrenzing van een muuropening in een binnenruimte, bij bogen, ramen en dergelijke; aan de andere kant verwijst de term naar de onderkant van een gewelf.

Kapel, Lat. capella, kleine mantel;  kleine, zelfstandige gebedsruimte in een kerk; kleine kerk zonder parochierechten en met een bijzonder dooi, zoals bijvoorbeeld een doop- of grafkapel. Het woord kapel ('manteltje') grijpt terug op een kleine gebedsruimte in de koningsburcht in Parijs, waar vanaf de 7de eeuw de mantel van de Heilige Martinus van Tours (Sint-Maarten, 316-397) word bewaard.

Kapellenkrans, rondom een halfrond of polygonaal koor gerangschikte kapellen

Kapiteel, Lat. capitulum, hoofdje;  kopstuk van een zuil, pijler of pilaster, dat als functie heeft de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. Er zijn verschillende soorten kapitalen te onderscheiden, die zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld en voortdurend zijn veranderd. Het bekendst zijn de sinds de Griekse Oudheid toegepaste Dorische, Ionische en Korintische
kapitalen. In de Romeinse Oudheid word hier het composiete kapitaal, een mengvorm van het Ionische en Korintische kapitaal, aan toegevoegd. In de vroege Middeleeuwen werden deze vier basisvormen alleen bij de keizerlijke residenties van de Karolingen, Ottonen en Salische keizers toegepast. Daarnaast ontstonden er zowel geometrische kapiteelvormen, zoals bijvoorbeeld het paddenstoelkapiteel en het teerlingkapiteel, als figuratieve kapitalen, met voorstellingen van mensen, dieren, planten en allerlei weelderige ornamenten. In de Gotiek overheersten het kelkkapiteel en het bladwerkkapiteel, die in de Renaissance werden verdrongen door de antieke vormen.

Kapittel, college van kanunniken of koorheren, verbonden aan een kathedrale of collegiale kerk, dat invloed kan uitoefenen op bestuurszaken. Het kathedraalkapittel is het adviescollege van de bisschop. Kapittelzaal of kapittel, de ruimte waarin het kapittel van een kathedrale of collegiale kerk bijeenkomt of de plaats van samenkomst in een klooster.

Kapittelkerk, de kerk waar een college van kanunniken resideert, dat wil zeggen een instelling met religieuze doeleinden waar echter geen bisschop resideert.

Kapittelzaal, zaal waarin de stemgerechtigde leden van een klooster, een kloosterprovincie of alle kloosters van een orde bijeenkomsten houden.

Kardinale deugden
, Laat-Lat. 'cardinalis', in het middelpunt staan: de in de christelijke ethiek van Plato, 427-347 v.Chr.,  overgenomen vier gronddeugden: 'temperantia' (gematigdheid, bezonnenheid), 'fortitudo' (dapperheid, zielskracht), 'prudentia' (wijsheid) en 'justitia' (gerechtigheid). Deze worden door Gregorius de Grote, 540-604 n.Chr., aangevuld met de drie zogenaamde goddelijke of theologische deugden: 'fides' (geloof), 'caritas' (liefde) en 'spes' (hoop). Op het fundament van deze groep van zeven wordt in de hoge Middeleeuwen het christelijke systeem van deugden uitgebreid.

Kariatide, Gr. karyatides;  in de bouwkunst een standbeeld van een in een gewaad gehulde vrouw met een korf- of kussenvormige hoofdtooi dat in plaats van een zuil of een ander tektonisch element het hoofdgestel draagt. Het woord verwijst naar de meisjes, in het bijzonder de tempeldanseressen, uit de Lakonische plaats Karyai bij Sparta. Vanwege de verraderlijke houding van de bevolking tijdens de Perzische Oorlogen (500-479v.C.) werden de meisjes van het dorp tot slavinnen gemaakt.

Karmelietenorde, Lat. 'Ordo Fratrum Beatae Mariae Virgilis de Monte Carmela', orde van de broeders van onze lieve vrouw van de berg KarmeI: een sinds 1246 bestaande bedelorde waarvan de leden zich wijden aan de religieuze beschouwing en zich inzetten voor de zielszorg en de wetenschap. De orde is voortgekomen uit een kluizenaarsgemeenschap op de berg KarmeI bij Haifa in IsraŽl.

Karmaten: ismaÔlitisch geheim genootschap. Zij treden voor het eerst tegen het einde van de negende eeuw op in Babylon, en verspreiden zich vandaar over SyriŽ, Khorasan en ArabiŽ. Vooral in de Levant en ArabiŽ oefenen ze daarna terreur uit.

Karolingische cultuur, benaming voor de bloeiperiode van letteren, kunst en wetenschap in de 8ste en 9de eeuw, sterk bevorderd door Karel de Grote.

Kariatide, in de bouwkunst de vrouwelijke figuren, kariatiden, die de functie van een zuil vervullen en het kapiteel als een mand op het hoofd dragen. Zij zijn te vergelijken met de atlanten: mannelijke figuren met een zelfde functie. Volgens Vitruvius is de naam afgeleid van de meisjes  van Karyai, die tot slavernij gebracht werden omdat zij met de Perzen zouden hebben samengewerkt.

Karmelieten
, Lat. Ordo fratrum Beatae Mariae Virginis de Monte Carmelo, - Broeders van Onze Lieve Vrouwe van de berg Karmel, een orde van contemplatieve bedelmonniken. De karmelietenorde werd in de 12 e eeuw in Palestina gesticht en was aanvankelijk een groep kluizenaars. In de 13e eeuw werd de orde opnieuw gesticht als een die leek op die van de dominicanen en franciscanen.

Kartuizerorde, Lat. Ordo Cartusiensis;  katholieke heremietenorde die in 1084 door Bruno van Keulen (1032-1101) in de Grande Chartreuse bij Grenoble is gesticht. De orde verbindt het kluizenaarsbestaan met het gemeenschapsleven. In de 14de en 15de eeuw ontstonden nieuwe kartuizerkloosters (waarin elke monnik zijn eigen kluis met tuintje had), die zich richtten op de laatmiddeleeuwse mystiek, de devotio moderna (nieuwe vroomheid), en het humanisme, het streven naar echte menselijkheid.

Karton, It. cartone, kartonnen kaart, een voortekening op ware grootte voor een schilderij, wandtapijt of fresco. Bij het frescoschilderen werd het ontwerp op de muur overgebracht door kleine gaatjes langs de contouren te maken en deze te bestuiven met houtskool en zo een lijn op het te beschilderen oppervlak achter te laten.

Kasteel, oorspronkelijk Romeinse legerplaats, later verdedigingswerk

Katafalk, Lat. catafalcium: sierstelling, onderbouw voor een zerk tijdens een rouwdienst.

Katharen
, de aanhangers van de grootste middeleeuwse religieuze sekte, die zich van af het midden van de 12de eeuw over heel West-Europa en vooral in Zuid-Frankrijk en Noord-ItaliŽ verbreidde. Zij hadden de overtuiging dat de wereld geordend was door een goede God enerzijds en een gelijkwaardige slechte geest, de Satan, anderzijds en stelden de geestelijke wereld, het goede, tegenover de wereld van materie, vlees en bederf, het kwade. Op grond van die overtuiging huldigden zij een streng ascetische levenswijze. De beweging, die in de 14de eeuw uitstierf, werd door de christenheid te vuur en te zwaard bestreden. Van Katharen is het woord 'ketter' afgeleid. Een geprononceerde groep binnen het katharisme vormden de Albigenzen.

Kathedraal, bisschopskerk, in Duitsland vaak ook dom of munster genoemd

Katholieke Reformatie, deze term refereert aan de noodzakelijk geachte vernieuwing van de Kerk, iets waar men het in de late Middeleeuwen al in brede klerikale kringen over eens is. Incidentele hervormingsprogramma's, zoals uitgevaardigd door de concilies in Konstanz, 1414≠1418, en Basel, 1431-1437 en 1448, of het vijfde Lateranenconcilie, 1512-1517, leiden niet tot duurzame resultaten. Pas de protestantse Reformatie dwingt de paus en de roomse curie om doelgericht op te treden tegen kerkelijke misstanden zoals ambtsmisbruik, zedelijk verval, aflaatpraktijken en extreme heiligen- en relikwieŽnverering. Paus Paulus III vaardigt de bul 'Laetare Jerusalem', 1544, uit, verantwoordelijk voor de samenroeping van het Concilie van Trente, 1545-1563, dat aanzetten geeft tot de innerlijke vernieuwing van de Kerk. Terwijl het begrip 'katholieke Reformatie' in de eerste plaats een kerkelijk vernieuwingsproces tot doel heeft, dat tot in de 17e eeuw doorwerkt, staat het begrip 'Contrareformatie' voor de maatregelen die met geweld worden doorgevoerd tegen de 'katholieke Reformatie'. De Augsburgse godsdienstvrede, 1555, verplicht de katholieke vorsten tot het doorvoeren van het katholieke geloof en rechtvaardigt hen zo om Contra
 reformatie te 'bedrijven'. Dit beperkt zich niet tot Duitsland, maar zet zich vanaf midden 16e eeuw ook door in Frankrijk, Engeland en de Spaanse Nederlanden.

Kazuifel, at. casula, cape, klein huisje, een lang gewaad dat door katholieke priesters wordt gedragen tijdens de mis.

Kerkvaders, Lat. patres ecclesias;  benaming van een aantal theologische schrijvers en heiligen uit de christelijke Oudheid (vůůr 800 n.C.) die in de rooms-katholieke Kerk gezag hebben als tweede geloofsbron na de Bijbel. Aan vier van hen werd in de 13de eeuw op grond van hun grote geleerdheid de titel 'kerkleraar' gegeven: Ambrosius (rond 340-397), Augustinus (rond 354-430), HiŽronymus (rond 340-420.) en Gregorius de Grote (rond 540--604). Vanaf de 8ste eeuw werden zij in religieuze afbeeldingen af en toe ingedeeld bij de groep van de vier evangelisten en hun symbolen: Mattheus (mens of engel), Marcus (leeuw), Lucas (stier) en Johannes (adelaar). .

Ketterij: een bewuste afwijking van de leer van de kerk. Het woord is afgeleid van het begrip katharen; een ander woord is haeresis.

Klassiek, betrekking hebbend op de cultuur van het oude Griekenland en Rome (Klassieke Oudheid). De klassieke wereld speelde een heel belangrijke rol in de Renaissance, waarin Italiaanse wetenschappers, schrijvers en kunstenaars hun eigen periode zagen als de wedergehoorde, de renaissance, van klassieke waarden na de middeleeuwen. De klassieke wereld werd beschouwd als de gouden eeuw voor de kunst, literatuur, filosofie en politiek. Concepten van de antieke tijd veranderden echter sterk per periode. De Romeinse literatuur leverde het beginpunt in de 14e eeuw, waarin wetenschappers geduldig een breed scala aan teksten ontdekten, redigeerden en vertaalden. In de 51de eeuw verspreidden de Griekse literatuur, filosofie en kunst -samen met de grondige studie van de overblijfselen van Romeinse gebouwen en sculpturen- het concept van de antieke tijd en zorgden ervoor dat deze een bron van inspiratie bleef.

Klassieke kunst, Lat. classicus, voorbeeldig, onberispelijk;  aanduiding voor de periode in de Griekse kunst van 480 tot 323 v.C. Deze jaartallen vallen samen met belangrijke historische gebeurtenissen die ingrijpende gevolgen hadden voor de hele structuur van de Griekse wereld: met de overwinning op de machtige Perzen in 480 v.C. begon de bloeitijd van de Griekse stadstaten (Poleis), Athene voorop, terwijl de dood van Alexander de Grote in 323v.C. het einde van het tijdperk van de vrije 'polis' betekende. In artistiek opzicht wordt de klassieke periode vooral gekenmerkt door veranderingen in de beeldhouwkunst. Er ontwikkelde zich een nieuw gevoel voor de organische structuur van het menselijk lichaam. Met het onderscheid tussen het zogenaamde 'standbeeld' en 'speelbeen' ('ponderation') werd een principe geschapen dat de hele klassieke periode zijn geldigheid behield. Uit de 'ponderation' ontwikkelde zich het principe van het 'contrapost': de evenwichtige verdeling van krachten, zoals die door de uit Argos afkomstige beeldhouwer Polykleitos maatgevend is uitgewerkt in het idee van het chiasma, de kruislingse verdeling van belaste en onbelaste delen van een beeld.

Kleurperspectief, Middel-Lat. 'perspectiva', 'ars': doorheenkijkende (kunst)), optische diepte van een schilderij' die ontstaat met behulp van de kleuren (die minder intens zijn naarmate ze zich dichter bij de horizon bevinden). De kleurenperspectief creŽert ruimtelijke effecten door gebruik te maken van bepaalde kleurencombinaties (rood, oranje en geel zijn bijvoorbeeld op de voorgrond tredende tinten, terwijl blauwen groen ruimtelijke diepte suggereren).

Klokkentoren, zie campanile.

Kloostergang, Lat. claustrum, of kruisgang, een gesloten plaats, een overdekte gang met een open colonnade aan ťťn kant, die meestal langs de vier muren van het vierkante plein van een klooster of kathedraal loopt.


Klooster
, vanaf het vroege christendom woonplaats van de monnikengemeenschap; tot het kloostercomplex behoren de kerk, de open binnenplaats (kruisgang), de verzamelruimte van de monniken (kapittelzaal), de eetzaal (refectorium), de slaapzaal (dormitorium) en verdere nutsgebouwen

Kniestuk, portret waarop de geportretteerde wordt weergegeven van hoofd tot knie

Koekoek, dakvenster

Koepel, Lat. cupula, omgekeerd tonnetje, beker;  plafond- of dakvorm, overwelving van een ronde, vier- of veelhoekige ruimte in regelmatige krommingen. De overgang van een vierkante plattegrond naar de ronding van de koepel kan op verschillende manieren tot stand komen: 1 bij de hangkoepel vormt de basis van de koepel een denkbeeldige cirkel, die in het grondvierkant is getekend; 2 bij de pendentief koepel wordt de denkbeeldige hangkoepel boven de bogen horizontaal afgesneden en het zo ontstane ronde vlak door een halve bol overwelfd; de daarbij ontstane sferische driehoeken noemt men pendentieven; 3 bij de Boheemse kap is, nat als bij de hangkoepel, het te overwelven vlak kleiner dan het grondvierkant.

Kolossale ordening, ordening van zuilen of pilaren die meerdere verdiepingen verenigt, ook monumentale ordening.

Koor, Lat. chorus en Gr. choros: reidans; Lat. chorus: rondedans; ook Sanctuarium, Presbyterium of priesterkoor genoemd, in een kerk de van het schip afgescheiden ruimte waar zich het altaar bevindt. Het koor is ontstaan uit de oude apsis, waar zich de zetels van bisschop en priesters bevinden. Toen priesters en monniken zich aan weerszijden van het altaar gingen opstellen voor het zingen van de getijden, ging het koor grotere afmetingen aannemen en ontstonden de koorbanken of het koorgestoelte.

Koorgestoelte, de banken voor geestelijken aan weerszijden van het koor.

Koorhek, Lat. charus en Gr. choras,  reidans, dans- en zanggroep;  borstweringen van paneelwerk die het louter aan geestelijken voorbehouden koor afsluiten van het schip of het dwarsschip, vaak rijk versierd.

Kooromgang, ook deambolatorium, de gang die rond het koor of altaar leidt en met open bogen gescheiden is van het koor.

Kopergravure,  een diepdrukmethode met een koperen plaat waarin met een scherp voorwerp, zoals een burijn, een ontwerp is gesneden; een gravure die op deze manier wordt gemaakt. Het proces werd rond 1440 in Zuidwest-Duitsland ontwikkeld en is de op een na oudste grafische kunstvorm na het houtbewerken. In de Duitse kunst kwam deze vooral tot ontwikkeling door Schongauer en DŁrer en in ItaliŽ door Pollaiuolo en Mantegna.

KorŤ,  Grieks archaÔsch beeld van een prachtig gekleed jong meisje, als offergave aan de goden bedoeld.

Korinthisch,  bouworde die met name gekenmerkt wordt door een kapiteellichaam met acanthusversiering en hoekkrullen die op de krullen van de Ionische orde lijken.

Kouros,  een archaÔsch Grieks beeld dat een staande naakte jongeman verbeeldt en enorme afmetingen kan hebben. Deze beelden werden in de tempels gezet om te dienen als offers aan de goden.

Kraagsteen
, neut, een uitstekende steen met een draagfunctie, in de renaissance en barok ook console

Kraal: versiering in de architectuur bestaande uit een kwart, een half of een driekwart rond profiel. Het wordt vooral toegepast bij (kroon)lijsten, portalen en vensters. genoemd.

Kranslijst, koonlijst, hoofdlijst van de faÁade, onder de dakaanzet

Kroonlijst, vooruitspringende lijst ter afsluiting van een in Kruisbeuk, zie Transept.

Kruisafneming, een weergave van het lichaam van Christus dat van het kruis wordt gehaald.

Kruisbloem, gebeeldhouwd gotisch ornament in de vorm van een kruis.

Kruisen: Latijns kruis, Lat. crux immissa: de bekendste vorm, een kruis met een lange staande en een korte dwarsbalk. Crux bastata, speerkruis: een Latijns kruis dat tegen iemand leunt. Andreaskruis, crux decussate of maalkruis: een X-vormig kruis waarvan de armen even lang zijn.

Kruisgang, de in een vierkant rond de kloosterhof lopende, aan de binnenzijde open overwelfde bogengaanderij met balustrade, meestal aan de zuidkant vaneen klooster, waaromheen volgens vaste regels de hoofdvertrekken van het klooster liggen. Vormt het middelpunt van het klooster.

Kruisribgewelf, gewelf waarvan de kappen geslagen zijn over of tussen elkaar kruisende en in een sluitsteen samenkomende ribben. Alleen de ribben hebben een dragende functie.

Kruisgraatgewelf,  Lat. crucem, crux, kruis;  het rechthoekige snijvlak van twee tongewelven (halfrond of segmentvormig plafond) van gelijke grootte. Als de snijvlakken door ribben zijn verstrekt, spreekt men van een kruisribgewelf.

Kruistochten, in ruime zin alle militair georganiseerde ondernemingen tegen de vijanden van het rooms-katholieke geloof, zoals bijv. tegen de Albigenzen. In engere zin de verschillende tochten die westerse krijgers van de 11de tot de 13de eeuw ondernamen tegen de islam voor het behoud of de herovering van de heilige plaatsen in Palestina.

Krul,  spiraalvormig motief aan de hoeken van de kapitalen in Ionische stijl. Afgeleid van opgerolde uiteinden van planten (acanthus, varen).    

Kufisch schrift: gestileerd, hoekig Arabisch schrift.

** Uw accommodatie  vindt u wereld wijd naar uw wens via: Booking
** U vindt bij Booking meer dan alleen hotels o.a.:
 Appartementen - Resorts  - Villa's  - Hostels  - Accommodaties met onsen - Bed & Breakfasts  - Pensions  - Motels  - Ryokans  -  Vakantieboerderijen  - Vakantieparken  - Campings  -  Botels  - Herbergen  -  Aparthotels  -  Vakantiehuizen  -  Lodges  - Accommodaties bij particulieren  -  Landhuizen  -  Luxe tenten  - Capsulehotels  -  Lovehotels  - Riads  - Luxe Chalets