D       Naar alfab. overzicht. Naar uw accommodatie!

    
Dakkapel 1), dakerker, vaak met rijke decoratie.

Dakkapel 2), dakhuisje met puntgevel.

Dakstoel, kapgebint, samenstel van dragende onderdelen van een kap in ťťn vlak, haaks op het dakvlak staand. 

Dalweg: een vooral door geografen gebruikte term voor een weg of pad in een dal, meestal op natuurlijke wijze ontstaan door de werking van een waterstroom.

Daphnephorion, afgeleid van daphnephore, laurier dragend, heiligdom gewijd aan de met laurier gekroonde Apollo.

Deambulatorium, Lat.: kooromgang: een gang rond het koor in een kerk, gewoonlijk door open bogen daarvan gescheiden.

Decastyle, bouwkundige term voor een gebouw met een faÁade met tien zuilen.

Decorum, decoro, versiering; in de kunsttheorie ook gepastheid van de vormgeving, in de gotische architectuur slanke zuilenstut die de gordingen of ribben van een kruisribgewelf draagt.

Decretalen, Lat. Decretalis, brieven, pauselijke decreten die een deel van de canonieke wet vormden in de vroege en middeleeuwse Kerk.

Dedicatiebeeld, Lat. 'dedicatio', wijding: het zogenaamde geschenk beeld geeft de plechtige overhandiging weer van een bouwmodel, kunstwerk of boek aan een of meerdere opdrachtgevers.

DeŽsis, Gr., verzoek, bede: weergave van de tronende Christus, als wereldheerser of -rechter, tussen Maria en Johannes de Doper, die beiden voorspraak doen.

Dekapolis, Gr.: groep van tien steden. In de Romeinsetijd werd met name een groep gehelleniseerde steden in het zuiden van SyriŽ met een eigen bestuur zo aangeduid. Er zijn verscheidene lijsten van steden die bij de Dekapolis behoorden, maar ze stemmen niet geheel overeen.

Dekplaat, dekstuk,  vierkante plaat boven het kapiteel. Valt samen met de abacus.

Depot: aanduiding van archeologen voor een plaats waar volgens de plaatselijke gewoon≠te kostbare voorwerpen op een heilige plaats werden neergelegd of begraven. Op deze wijze werden ze aan de goden geofferd, of voorkwam men dat gewijde voorwerpen moesten worden weggegooid.

Devotiebeeld, in kunsthistorisch opzicht een beeld dat varieert van klein tot meer dan levensgroot en dat bedoeld is voor aanbidding, meditatie en verering. Het moet vooral aanzetten tot diepe meditatie over hetgeen wordt afgebeeld. Het is meestal uitgevoerd in hout en heeft vooral het lijden van Christus en Maria tot onderwerp. Het type ontstond onder invloed van de mystiek in de 14e eeuw in Duitsland. Maar zowel wat motief als iconografie betreft zijn er al verwante stukken in de Byzantijnse en Italiaanse kunst van de hoge Middeleeuwen. Het begrip werd ook gebruikt voor bepaalde Madonna-beelden en crucifixen en voor geschilderde werken. De inlegafbeeldingen en titelbladhoutsneden die in de 14e eeuw opkomen, worden ook vaak devotiebeeldje of devotionalia genoemd.

Diadeem, Gr. diadein, binden, een kroon of haarband die wordt gedragen als teken van koninklijkheid.

Diazoma,  halfronde omgang die de cavea van een antiek theater in een boven- en benedendeel verdeelt.

Diakonikon, Gr.: in de vroegchristelijke en Byzantijnse kerk de ruimte naast de apsis die als rustvertrek voor de geestelijken en als bewaarplaats voor de liturgisch gerei en kledij diende

Dilettant, kunstenaar uit liefhebberij, kunstminnaar.

Diocees: Byzantijnse bestuursafdeling, onderafdeling van de prefectuur. Iedere prefectuur omvatte verscheidene diocesen, en iedere diocees bestond uit verscheidene provincies.

Diodorus Siculus: Griekse geschiedschrijver van SiciliŽ uit de eerste eeuw v.C., die tot 54 v.C. de geschiedenis van alle volkeren uit de Oudheid in 40 boeken heeft opgeschreven; hiervan zijn de delen, 1 t/m 5 en 11 t/m 20 bewaard gebleven. Van de andere delen zijn stukken terug te vinden in de werken van Byzantijnse geschiedschrijvers.

Dionysos, ook Bakchos, Lat. 'Bacchus': in de Griekse mythologie de god van de wijn en van de alles scheppende natuur. Hij is de zoon van Zeus en Semele en gemaal van Ariadne.
 
Dioriet: een zeer hard gesteente, zwart, donkergroen of grijsgroen van kleur,dat vooral in de beeldhouwkunst werd gebruikt.

Dioscuren, Gr. dios, genitief van Zeus, en kuros, knaap, zoon; in de Griekse mythologie de onafscheidelijke tweelingbroers Kastor en Polydeukes. Lat. Castor en Pollux, de zonen van Leda en Zeus respectievelijk Tyndareus, de sterfelijke echtgenoot van Leda, en broers van Helena en Clytaemnestra. Ze werden door de Romeinen aangeroepen tijdens veldslagen en wanneer een schip in nood verkeerde.

Dipteros, een gebouw met een dubbele rij zuilen rondom.

Diptiek, Lat. 'diptychum'; Gr. 'diptychos', dubbelgevouwen: in de Oudheid een schrijftafel die samengeklapt kon worden; in de middeleeuwse kunst een altaarstuk met twee scharnierende panelen, dus zonder middendeel, tweeluik.

Disegno, It. tekening, ontwerp, in de renaissancistische kunsttheorie het ontwerp van een schilderij in termen van de tekenkunst, die de basis was voor alle kunst. De term betreft niet de letterlijke tekening, maar het concept achter een kunstwerk.

Divinitŗ en terribilitŗ, I t. goddelijkheid en intensiteit of ontzagwekkendheid,  de termen die tijdgenoten van Michelangelo gebruikten om de kracht, intensiteit en spirituele diepgang van zijn persoonlijkheid en kunst te beschrijven.

Doge, It.; Lat. 'dux', leider: hoogste vertegenwoordiger van de uitvoerende macht in VenetiŽ, 697-1797, en Genua, 1339-1797.

Dogma, Gr. dokeuein, menen, en Gr.-Lat. dogma, mening, leerstelling;  geloofsartikel van de katholieke Kerk, dat door de paus wordt verkondigd en aanspraak maakt op absolute geldigheid. De orthodoxe Kerk beschouwt alleen de leerstellingen van de eerste zeven concilies, 325-787, als dogma's.

Doksaal, oksaal of oxaal, hoogopgaande scheidingswand tussen koor en kerkschip, genoemd naar de doxologie, de lofzang Gloria in excelsis,  die daar werd voorgelezen. Het is een voortzetting van de vroegchristelijke cancelli.

Dom, Lat. 'domus Dei', huis Gods: ook domkerk, bisschopskerk, hoofdkerk van een stad.

Dominicanen, Lat. Ordo Praedictatorum, orde van predikers, een orde van bedelpaters in 1216 gesticht door Dominicus om het geloof te verspreiden door middel van preken en onderwijs. De dominicanen behoorden tot de invloedrijkste religieuze ordes in de late middeleeuwen. Hun intellectuele autoriteit werd gevestigd door figuren als Albertus Magnus en Thomas van Aquino.

Domkapittel, het autonome bestuur van een bisschoppelijke of aartsbisschoppelijke kerk dat de bisschop assisteert en adviseert bij het besturen van zijn bisdom.

Domus Aurea, Lat. het zogenaamde Gouden Huis van keizer Nero, een villa in Rome.

Donjon, zware verdedigbare toren, van oorsprong middeleeuws, aanvankelijk op een vierkante plattegrond, later (vanaf de 12de eeuw) ook rond en soms halfrond.

Doopkerk, zie baptisterium.

DoriŽrs,  Griekstalig volk dat tussen de 13e en 11 e eeuw voor onze jaartelling in verscheidene golven Griekenland binnentrok en de Myceense koninkrijken vernietigde.

Dorische zuil, tot de Dorische zuilorde (Grieks architectonisch systeem) behorend verticaal bouwelement zonder basis of ornament, met een zich naar boven toe versmallende schacht met scherp tegen elkaar aansluitende cannelures en een kapitaal zonder decoraties, bestaande uit een ronde 'echinus' (kussenvormige steen) en een vierkante 'abacus' (dekplaat). De Romeinse Dorische zuil is slanker dan de Griekse en heeft wel een basement en een meer geleed kapiteel. De Toscaanse zuil is hiervan een eenvoudige variant.

Dormitorium, de slaapzaal van een kloostergemeenschap.

Driepasboog, laat-Romaanse boogvorm die lijkt op een klaverblad.

Dromos,  door hoge muren omgeven toegang van een Myceens koepelgraf.

Dubbele zuilen, ook tweelingzuilen, twee zuilen die met de schachten tegen elkaar aansluiten of met elkaar zijn verstrengeld.

Dubbelklooster, een klooster voor mannen en vrouwen.

Ductus, Lat., trek, leiding: in de schilderkunst het handschrift van de kunstenaar, dat herkenbaar is aan de structuur, het spoor, dat ontstaat door het opzetten en weghalen van het penseel of de spatel.

Dukaat, Lat. ducatus, een gouden munt die in de middeleeuwen en de Renaissance werd gebruikt in een groot deel van Europa.

Duomo, It., dom), zie Dom

Dux, Lat. aanvoerder: Byzantijnse militaire rang, legioencommandant, bevelhebber van de troepen in een provincie.

Dwarsbeuk, ook dwarsschip, transept, dwars op het langschip liggend een- of meerbeukig bouwdeel van een kerk; het punt van kruising van midden- en dwarsbeuk wordt als viering vaak speciaal geaccentueerd, zie Transept

Dynastes, Gr., lat. heerser, vorst: begrip waarmee kleine heersers van meer of minder afhankelijke vorstendommen, en met name langs de grenzen van de Romeinse provincies, werden aangeduid.

Dyofysitisme: 'tweenaturenleer', de leer dat Christus een goddelijke en een menselijke natuur had, die ieder onvermengd, onveranderd, ongescheiden en onafzonderlijk bestaat: Christus is gelijktijdig geheel mens en geheel God. Het dyofysitisme werd door de orthodox-christelijke kerk tot dogma verheven.

** Uw accommodatie  vindt u wereld wijd naar uw wens via: Booking
** U vindt bij Booking meer dan alleen hotels o.a.:
 Appartementen - Resorts  - Villa's  - Hostels  - Accommodaties met onsen - Bed & Breakfasts  - Pensions  - Motels  - Ryokans  -  Vakantieboerderijen  - Vakantieparken  - Campings  -  Botels  - Herbergen  -  Aparthotels  -  Vakantiehuizen  -  Lodges  - Accommodaties bij particulieren  -  Landhuizen  -  Luxe tenten  - Capsulehotels  -  Lovehotels  - Riads  - Luxe Chalets