RELATIES EN GEDRAG, naar overzicht flora en fauna

§ 3 BIOTISCHE FACTOREN

    
Invloed op abiotische factoren
De invloeden die uitgaan van planten, dieren en de mens, zijn biotische factoren. Biotische factoren kunnen abiotische milieufactoren veranderen.

• Klimaat •
Daar waar eerst een open veld was en waar later een bos ontstaat, verandert de temperatuur, de luchtvochtigheid verandert en de gemiddelde windsnelheid neemt af. Door verandering van vegetatie is in een bepaald gebied het klimaat veranderd. In het algemeen zwakt de aanwezigheid van vegetatie de invloed van klimaatfactoren af.
Tussen planten heerst gemiddeld een grotere luchtvochtigheid en een kleinere windsnelheid dan op kale plaatsen. Tussen begroeiing heerst gemiddeld 's nachts een hogere en overdag een lagere temperatuur dan op niet begroeide plaatsen.
Uit bovenstaande tekst blijkt dat een biotische factor (planten) van invloed is op de abiotische factor 'klimaat'.
Licht
Begroeiing be
ïnvloedt ook de hoeveelheid licht die de bodem bereikt. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat bosplanten vroeg in het voorjaar groeien en bloeien. Bosplanten moeten aan voldoende licht, voedsel, komen en dat kan alleen als de kruinen van de bomen nog geen bladeren dragen. Planten kunnen dus van invloed zijn op de abiotische factor 'licht'.
Bodem
Ook de bodem verandert door de aanwezigheid van organismen. De bodem vormt voor werkelijk ontelbare organismen een verblijfplaats. Als we denken aan bacteri
ën en andere eencellige organismen, schimmels, wormen, insektenlarven en in de bodem levende imago's, dan komen we al gauw aan miljoenen organismen per m².  Daar waar de grond rijk is aan dood organisch materiaal leven zelfs miljarden organismen. Daar komt nog bij dat bijna alle hogere planten door hun wortelstelsel met de bodem zijn verbonden.

Humusrijke bovenlaag
De bovenlaag van de bodem is humusrijk. Daarin wortelen planten en niet in het onderliggende zand, afb 7.10
Er is een wisselwerking tussen de planten, de dieren en de bodem.
Door de wortels van levende planten worden zwakke zuren aan de bodem afgegeven. Hierdoor worden onoplos bare stoffen oplos baar gemaakt. Anorganische stoffen worden door planten aan de bodem onttrokken. Na het afsterven van een organisme wordt de bodem verrijkt met organische stof. Hierdoor ontstaat humus
, zie afbeelding.
De boer bevordert deze humusvorming door stalmest of gier
, mestvocht, over zijn akkers te verspreiden.

De voordelen van humus zijn:
- verandering van de bodemstructuur. Droge zandkorrels worden door de humus aan elkaar gekit. De zandgrond wordt zo meer samenhangend. Zandgrond, die een korrelstructuur heeft, verandert door humus in een grondsoort met een kruimelstructuur. Klei daarentegen wordt door humus juist losser. Door het uiteenvallen van de grote brokken klei, ontstaat er ook een kruimelstructuur in klei.

In grond met een kruimelstructuur zitten niet alleen capillaire ruimten in de kruimels, maar er zijn ook grotere ruimten tussen de kruimels.
De capillairen in de kruimels vullen zich met water en de grotere ruimten vullen zich met lucht. Zulke grond heeft de juiste vochtigheidstoestand en bevat voldoende lucht. Doordat de lucht gemakkelijk in de grond kan doordringen, kan de bodem gemakkelijk worden verwarmd. In zulke grond kunnen bacteri
ën goed leven. Plantewortels kunnen er goed voedsel opnemen en gaswisselen.
- minder uitspoeling van voedingszouten, doordat humus deze zouten vasthoudt.

Ook regenwormen hebben een gunstige invloed op de structuur van de bodem. Ze graven talloze, vrij diepe gangen, waardoor water en lucht beter in de grond kunnen doordringen. Ze brengen ondergrond naar boven en grond van boven naar beneden.
Regenwormen voeden zich met (gedeeltelijk) verteerde plantenresten. Hun uitwerpselen zijn humus en dus verhogen ze het humusgehalte van de grond.

Wat voor soort bodem er uiteindelijk ontstaat, wordt bepaald door het oorspronkelijke gesteente, de invloed van de atmosfeer, de vegetatie en het dierlijk leven.

Uit het voorafgaande blijkt dat biotische factoren (planten en dieren) invloed hebben op de abiotische factor 'bodemgesteldheid'.

Invloed op organismen
Onder biotische factoren verstaan we alle invloeden die uitgaan van een levend organisme. De invloed die organismen op elkaar uitoefenen, noemen we rdaties. Relaties kunnen bestaan tussen individuen van dezelfde soort of tussen individuen die geen soortgenoten zijn. Er bestaan relaties tussen plant-plant, plant-dier, plant-mens, tussen dier-dier en dier-mens. Bestaande relaties kunnen voor de twee betrokkenen van verschillende betekenis zijn. Een relatie kan beide voordeel opleveren, maar er kan ook sprake zijn van concurrentie. Er zijn ook relaties waarvan de
één voordeel ondervindt, maar de ander schade of waarbij de één voordeel heeft en de ander geen voor- of nadeel.

• Relaties tussen soortgenoten •
Als er sprake van is dat soortgenoten invloed op elkaar uitoefenen, dan verkeren de individuen in elkaars nabijheid. Ze bewonen gemeenschappelijk een bepaald gebied en tussen de soortgenoten bestaan verschillende relaties, zoals bijvoorbeeld paarvorming, sociale binding, kuddevorming, concurrentie (strijd om voedsel, om nestelgelegenheid of om een partner).
Populaties
Een groep van organismen van dezelfde soort die in een bepaald gebied en op een bepaald tijdstip voorkomen en die een voortplantingsgemeenschap vormen, noemt men een populatie. Zo kan in een sloot een kikkerpopulatie leven of in een plantsoen een merelpopulatie.
De merelpopulatie in een plantsoen is iets anders dan alle merels in dat plantsoen samen. Een geheel (bijvoorbeeld een fiets) is meer dan de som der delen (de losse onderdelen van de fiets). Dat houdt in dat een populatie naast eigenschappen die kenmerkend zijn voor alle individuen van de betreffende soort, ook voor de populatie karakteristieke eigenschappen heeft. Die hangen samen met de structuur van de populatie (aantal, uitbreiding, sterfte, leeftijdsopbouw, geslachtsverhouding).

Het aantal individuen waaruit de populatie bestaat, de populatiegrootte,
 is van belang o.a. in verband met de erfelijkheid.
Een populatie heeft een bepaalde genenverzameling. Bij een kleine populatie kan van de ene generatie op de andere een bepaald gen verloren gaan.

Ook kan inteelt optreden.
Inteelt is voortplanting door paring van individuen die een bloedband hebben, bijvoorbeeld vader-dochter, moeder-zoon, broer-zus, oom-nicht. Daardoor komt het optreden van homozygoten (met de genencombinatie aa of AA) veel meer voor dan normaal en dat kan leiden tot het optreden van onaangename verschijnselen. Een ongunstig recessief gen (a), in een grote populatie meestal onderdrukt door het niet-ongunstige dominante gen (A), kan zich nu veel vaker openbaren (de genencombinatie is dan aa).
 
Een populatie heeft een zekere dichtheid.
De dichtheid is het aantal individuen per oppervlakte-eenheid (km², m², cm²). De dichtheid wordt beïnvloed door een aantal abiotische en biotische factoren.

De populatiegrootte is afhankelijk van het geboortencijfer en het sterftecijfer.
Het geboortencijfer is het aantal individuen dat in een bepaalde tijd (bijvoorbeeld een jaar) in een populatie wordt geboren.
Het geboortencijfer is o.a. afhankelijk van het aantal aan de voortplanting deelnemende individuen.
In bepaalde gevallen spelen ook milieufactoren mee. Zo is bij sommige vogelsoorten de grootte van het legsel afhankelijk van de dichtheid van de populatie en van de voedselrijkdom van het territorium.

Bij een zeer geringe dichtheid
en een overvloedig voedselaanbod telt een broedsel van een koolmezenpaar soms meer dan 12 eieren. Bij normale dichtheid en normaal voedselaanbod worden er gemiddeld 10 eieren per broedsel gelegd, terwijl het aantal bij een grote dichtheid slechts 4 à 5 bedraagt.



Het sterftecijfer is het aantal individuen dat in een bepaalde tijd doodgaat.
Het sterftecijfer is o.a. afhankelijk van natuurlijke vijanden, parasieten, ziekten, voedselhoeveelheid, milieu-invloeden en leeftijdsopbouw van de populatie.
Voor de verschillende leeftijdsklassen is het sterftecijfer meestal niet hetzelfde. Tijdens de jeugd is het sterftecijfer vaak het hoogst. In het begin is de overlevingskans namelijk klein. Na een bepaalde tijd stijgt de overlevingskans en wordt het sterftecijfer kleiner. Daarna komt een periode dat het sterftecijfer weer stijgt.
Afhankelijk van het geboortecijfer (G) en het sterftecijfer (S) zijn er drie ontwikkelingen mogelijk in de populatie:
- G = S; de populatie handhaaft zich; het aantal individuen blijft gelijk.
- G < S; de populatie wordt kleiner.
Bij voortduren van deze situatie sterft de populatie uit.
- G > S; de populatie wordt groter.
Als G gedurende lange tijd hoger is dan S, zal er een plaag ontstaan. Dit kan ook het geval zijn doordat G gedurende korte tijd zeer veel hoger is dan S.

30 a Geef een voorbeeld van een plaag die is ontstaan doordat gedurende lange tijd het      geboortecijfer hoger is geweest dan het sterftecijfer.
    b Geef een voorbeeld van een plaag die is ontstaan doordat gedurende korte tijd het     geboortecijfer zeer veel hoger is geweest dan het sterftecijfer.


De leeftijdsopbouw van de populatie
, afb. 7.12, is van invloed op het geboorte­en het sterftecijfer.
Het opstellen en bestuderen van bevolkingspiramiden is van belang, omdat er uit valt af te leiden of er beleidsmaatregelen moeten worden getroffen.

Drie vormen van bevolkingspiramiden De drie vormen van een bevolkingspiramide. Afb. 7.12
Bij elke vorm is de leeftijdsopbouw anders.
a Een groeiende bevolking.
Elke lagere leeftijdsklasse is groter dan die daarboven.
b Een bevolking die in aantal gelijk blijft.
Elk jaar worden evenveel kinderen geboren. De vorm van de piramide wordt slechts beïnvloed door sterfte.
c Een afnemende bevolking.
Het aantal geboorten wordt elk jaar geringer. Door het geringe aantal geboorten is de piramide smal aan de basis en relatief breed in het middengedeelte. Aan de top loopt de piramide spits toe als gevolg van het relatief hoge aantal sterfgevallen onder ouderen.

Een populatie heeft een bepaalde geslachtsverhouding.
Dit is binnen de populatie het aantal mannelijke individuen ten opzichte van elke 100 vrouwelijke individuen. Bijvoorbeeld: Een populatie telt 623 mannelijke individuen en 572 vrouwelijke individuen.
Het aantal vrouwelijke individuen is dus 5,72 x 100 (is immers 572).
De geslachtsverhouding is dus 623 : 5,72 = 108,9 (afgerond 109).

31 a Wat zijn beleidsmaatregelen ?
     b Door wie worden deze maatregelen getroffen?
32 Geef voorbeelden van beleidsmaatregelen die te maken hebben met de grootte van
     de bevolking.
33 Bepaal de geslachtsverhouding van
     a je klas;
     b het lerarenkorps.
     c Leg uit hoe de geslachtsverhouding die je bij b hebt bepaald, kan worden gebruikt      in een discussie over emancipatie.

Concurrentie tussen verschillende soorten organismenConcurrentie tussen verschillende soorten organismen.
Afb. 7.13 De rups (1) van de hermelijnvlinder, de rupsen van de zigzagvlinder (2) en nog een andere hermelijnvlindersoort (3) leven net als de rups (4) van de lindepijlstaart van de bladeren van de populier

Concurrentie
Als de vraag naar een bepaalde levensbehoefte (licht, lucht, water, voedsel, ruimte, partner) groter is dan het aanbod, ontstaat concurrentie (mededinging).
Planten beperken elkaar in hun uitbreidingsmogelijkheden door concurrentie. Bij dieren 'leidt concurrentie om nestplaatsen tot territoriumvorming.

Een territorium heeft een minimumgrootte.
Territoriumvorming leidt daardoor tot regeling van de dichtheid. Zo kan concurrentie om ruimte voorkómen, dat er een tekort aan voedsel ontstaat.
Concurrentie kan optreden binnen de soort, maar ook tussen verschillende soorten, zie afb. 7.13. Ruimteconcurrentie is meestal soortgebonden. Voedselconcurrentie is dat meestal niet.
Concurrentie werkt sterk selecterend. Door concurrentie worden de overlevingskansen voor zwakke individuen klein. Concurrentie treedt vooral op in pioniersvegetaties
, de eerste planten in een bepaald gebied, en in milieus die door de mens zijn beïnvloed, agrarische milieus. In monoculturen - akker, cultuurgrasland, bosbouwgebied - is concurrentie de meest op de voorgrond tredende relatie tussen de individuen van een populatie.

• Relaties tussen niet-soortgenoten •
Ook tussen niet-soortgenoten bestaan relaties. Deze kunnen voorkomen tussen andersoortige planten, tussen andersoortige dieren en tussen planten, dieren en de mens.

Doorsnede van een korstmos Doorsnede van een korstmos. Afb. 7.1. De eencellige wieren bevinden zich in de bovenlaag. Ze leven mutualistisch met schimmels.
Mutualisme
Men spreekt van mutualisme als twee individuen die tot verschillende soorten behoren, samenleven en daarvan wederzijds voordeel genieten.
Bij de korstmossen leeft het weefsel van zwam draden van een schimmel samen met een groen wier
, zie afb. 7.14. De schimmel krijgt koolhydraten van het wier. Het wier krijgt voedingszouten van de schimmel. De zoetwaterpoliep uit sloten en plassen is groen door wieren. De poliep krijgt zuurstof die vrijkomt bij de fotosynthese van het wier. Bij de uitscheiding van de poliep komen zouten vrij waarvan het wier profiteert. Nog een voordeel voor de plant is de CO2 die door het dier wordt gevormd en die het wier gebruikt bij de fotosynthese. Een extra voordeel voor het wier is de bescherming die de poliep biedt.
De heremietkreeft leeft in een slakkenhuis soms mutualistisch met een zeeanemoon. De netelcellen van de zeeanemoon zorgen voor bescherming van de kreeft. De zeeanemoon wordt door de kreeft meegevoerd naar zuurstof- en voedselrijk water en profiteert bovendien van de voedselresten van de kreeft.
Spreeuwen zoeken op de rug van runderen en schapen naar parasieten.
De buffelpikker (een vogel) pikt teken, steekvliegen en luizen weg tussen de haren van grazende dieren op de Afrikaanse savannen. De vogels gebruiken de haren als nestmateriaal. Ze waarschuwen de grazende dieren door bij gevaar op te vliegen.
Bij bloembestuiving door insecten en bij het verspreiden van vruchten door dieren, is er eveneens wederzijds voordeel.
In de darm van termieten leven eencelligen die hout
, cellulose, kunnen verteren, doordat zij het enzym cellulase produceren. Bij de vertering van het hout komt glucose vrij, het voedsel voor de eencelligen. De termieten profiteren ook van deze vertering, want ook zij nemen een deel van de geproduceerde suiker op.

Commensalisme
De vorm van samenleving waarbij de ene soort voordeel geniet en de andere soort geen nadeel ondervindt, heet commensa
lisme, cum = met; mensa = tafel.
Kleine kreeften leven tussen de kieuwen van mossels en voeden zich met micro-organismen die naar binnen komen met de door de mossel veroorzaakte waterstroom. Eekhoorns en vogels bouwen hun nest in een boom, of vinden er beschutting. Loodsmannetjes zijn zuigvissen die zich vastzuigen aan de buik van haaien. Deze zuigvissen leven van de resten die de haai overlaat bij het verslinden van zijn prooi.
Mutualisme en commensalisme zijn beide voorbeelden van symbiose (sym = met; bios = leven; samenleving).

Parasitisme
Bij parasitisme leven twee organismen van verschillende soort samen, waarbij het ene organisme voordeel geniet en het andere organisme nadeel ondervindt.
Het ene organisme leeft daarbij tijdelijk of blijvend op of in het andere organisme. Sommige paddenstoelen leven parasitair op levende bomen.
Dieren als bloedzuiger, sluipwesp, luis en lintworm leven ten koste van hun gastheer. In de meeste gevallen doden parasieten hun gastheer niet.
De maretak (mistletoe) leeft op een populier, een appelboom of, maar dat komt zelden voor, op een eik. De plant heeft groene bladeren en kan door fotosynthese glucose maken. Aan de gastheer worden anorganische stoffen onttrokken. De maretak is een ha
lfparasiet.

Een accommodatie in Nederland kunt u goed vinden via Hotels/Appartementen/NL (6527).
Uw accommodatie in België kunt U goed boeken via Hotels/Appartementen/Belgi
ë.
Via Hotels/Wereldwijd kunt u goed zoeken naar een juiste accommodatie in 102 landen.